Groeten uit Puglia

By |vrijdag 12 mei 2017|

“Locorotondo saluta il 100o Giro d’Italia”

Het is een mededeling waaraan niet te ontkomen valt. Ik staar naar het roze banier dat boven de straat wappert en ik besef dat ik een week te vroeg in Puglia op vakantie ben. Op 12 mei voert de 7e etappe van de Giro van de wreef naar de hak van de laars. Finish na 220 kilometer in Alberobello.

Eén roze banier, dat is het. Verder is er niets dat er op wijst dat de Giro-karavaan hier volgende week met veel kabaal door de streek dendert. Niet in Martina Franca, niet in Cisternino, en ook niet in Alberobello. Of ik zie het toevallig niet of het leeft hier nauwelijks. Gek.

Puglia (Apulië) is een arme streek, althans zo leren we op school. Calabria is nog erger, Noord-Italianen spreken niet voor niets smalend van Calafrica. Maar in de anderhalve week dat ik er ben, laat Puglia twee gezichten zien. Prachtige stadjes, afgewisseld door een vruchtbaar en groen platteland, waar de klaprozen weelderig in bloei staan en waar de in Nederland vrij onbekende nespole en gelsi nu al rijp en zoet aan de bomen hangen. Schitterende, rustige witte stranden aan de binnenkant en een fraaie rotskust met grotten en kleine baaien aan de buitenkant van de hak, dat alles langs een kraakheldere zee in alle tinten blauw denkbaar. En dan Lecce: een schitterende en levendige stad.

Maar ook vervallen en vrijwel verlaten badplaatsen, hartverscheurend lelijke en armoedige dorpjes in het binnenland, waar de werkloosheid hoog is en de informele economie ongetwijfeld welig tiert. En dan het wegdek: gaten, scheuren, hobbels, af en toe gerepareerd met een plak alweer versleten en verweerd stuk asfalt. Moet het peloton daar 220 kilometer lang met 45-50 km/u stuiterend overheen? Linke soep, als je het mij vraagt. Arme renners, arme fietsen, arme karavaan. Lekke banden, kapotte wielen, valpartijen. Voorspelbaar.

In Locorotondo drinken we een koffie in een bar. De Gazetta dello Sport ligt op een tafeltje. Ik sla hem open en zoek naar nieuws over de Giro. Ik blader en blader en pas na twintig of meer pagina’s over voetbal, vier pagina’s over volleybal en enkele pagina’s over lawaaisport en andere sport assorti, beland ik op de wielerpagina’s. Ik weet dat de verhoudingen hier in Italië zo liggen, maar blijf dat raar vinden.

Een paar uur later zijn we in Alberobello. O, wacht, had ik al verteld dat deze streek bekend is om het grote aantal over het landschap verspreide eeuwenoude ‘trulli’? Trulli (enkelvoud: trullo) zijn kleine ronde huisjes of schuren met een kegelvormig dak. De bouwwerken zijn gemaakt van witte kalksteen, dat na verloop van de tijd in diepe grijstinten verweert. De muren zijn wit gepleisterd en de daken zijn vaak versierd met primitieve, magische of christelijke symbolen.

In Alberobello staan er meer dan duizend. Het stadje staat vanwege deze overdaad op de Werelderfgoedlijst van de Unesco. Terecht, dat zonder meer, maar het gevolg daarvan is dat Alberobello verworden is tot een enorme ‘tourist trap’. Veel van de trulli  in het stadje hebben hun oorspronkelijke functie als woonhuis of opslagplaats verloren en zijn omgetoverd tot souvenirwinkel, galerie of restaurantje. Drukte. Toeristen uit heel de wereld, schoolklassen met verveelde, luidruchtige en opvallend obese Italiaanse pubers. Anderhalve week lang heb ik geen toerist gezien en dan dit. Plichtmatig neem ik wat foto’s van de trulli.

Het grote aantal trulli in de streek en de absurde overdaad aan trulli in Alberobello levert volgende week ongetwijfeld mooie helicopterbeelden op die het toerisme naar Apulië goed zullen doen. Maar ik wil hier weg, weg uit dit akelig drukke oord.

Wordt het gewoon een laffe sprintersetappe of is er ruimte voor een ontsnapping in de geaccidenteerde tweede helft van de etappe? Ach, wat doet het er toe? Voor één dag staat het fascinerende Puglia in de schijnwerpers. Vervolgens blaffen de honden en trekt de karavaan verder. Wat achterblijft is een roze spoor van t-shirts, petjes, plastic klapperhandjes en andere Giro-parafernalia. En wat lege bidons in de bermen, tussen het overige overdadig aanwezige zwerfafval.

Met de groeten uit Puglia.

 

Frank van Dam

Frank van Dam

Frank van Dam (1960) fietst af en toe, en blogt daar dan weer over. Leidt dus een zinloos bestaan. Kan niet klimmen, kan niet dalen. Hopeloos geval. Is liever lui dan moe. Wetenschapper. Publiceert dus veel, maar wordt nauwelijks gelezen. Heeft daar vrede mee. Heeft een voorliefde voor Italiaanse renners die koersen in België winnen. Verslaafd aan Luik-Bastenaken-Luik.


Favoriete boeken:


Frank van Dam

Latest posts by Frank van Dam (see all)

Related Post

Geef een reactie