Toen hij haar voor het eerst in de verte zag, kon hij niet vermoeden wat zij voor hem zou gaan betekenen. Het was een koude voorjaarsdag in 2007, de ‘Ronde van Vlaanderen voor Wielertoeristen’. Hij had geen idee wat hem daar te wachten stond. Ja, 150 kilometer fietsen over heuvels en kasseien.

Na dertig vlakke, saaie kilometers over het Vlaamse platteland draait de weg scherp naar rechts en gaat het opeens steil omhoog. De Molenberg, kasseien. Stampen, hobbelen, duwen, het juiste spoor zoeken in de enorme drukte van fietsers en hij is boven. Dat stelde weinig voor. Hij vervolgt zijn weg, over de Wolvenberg, de Kluisberg en de Knokteberg. Niets aan de hand.

Dan, na zestig kilometer, verschijnt de Oude Kwaremont voor zijn wielen. Dat blijkt een vervelend kreng. De kasseien liggen schots en scheef. Staan, zitten, klapperende polsen, schuddende bovenarmen, trillende kuiten. Zoeken naar het meest comfortabele spoor, dat er niet is. Staan, nee toch maar zitten. Duwen. De Oude Kwaremont doet hem pijn. Dan is hij boven en draait naar links, de asfaltweg op. Even later weer links en nog een keer links. Hard naar beneden over een smalle onoverzichtelijke weg, niet zijn favoriete bezigheid. Hij wordt niet alleen links maar ook rechts ingehaald. Idioten.

In de verte ziet hij dat de weg naar rechts gaat. Een trage rups van bontgekleurde fietsers schuift omhoog door het groene Vlaamse land. Dan komt hij zelf bij de voet van de klim en slaat rechtsaf. Hij kijkt naar boven. De roepende renners, de wiegende ruggen, de stuiterende fietsen, de geluiden en beelden daarvan vervagen en hij aanschouwt haar in heel haar woeste naaktheid. In stilte streelt hij haar huid, kust haar in de nek, ruikt aan haar lijf, en rijdt, en rijdt. Schokkend. Hijgend.

Als hij boven komt en linksaf slaat, hoort hij weer de roepende en lachende fietsers om zich heen. Sommigen zijn gestopt, om even uit te rusten of te wachten op achterblijvers. Hij niet, hij schakelt op en rijdt door. Wel kijkt hij even om, naar links, naar beneden. Ze verdwijnt uit het zicht.

In een vreemde roes rijdt hij door. De resterende hellingen voelt hij niet.

Die avond kan hij niet in slaap komen. Hij heeft vermoeide benen, een vastzittende nek en pijnlijke polsen, maar dat is niet wat hem wakker houdt. Hij denkt terug aan haar. Vol verlangen.

Een paar maanden later rijdt hij opnieuw een toertocht door het Vlaamse heuvelland. Ook die voert langs haar. Opnieuw de extase. De lichtbruingrijze kasseien in het felgroene land. Het getril over de stenen, hobbelend, slingerend, slippend, duwend, stampend, hijgend omhoog, op de kleinste versnelling. De bevrediging van het boven komen. Even omkijken en dan doorrijden.

Haar zusjes Oude Kwaremont en Koppenberg zijn hem te hard, te venijnig, te gemeen. Zij is zachtaardiger, gevoeliger, net als hij. En dan haar schoonheid. Haar onverbiddelijke schoonheid.

In de maanden die volgen is hij onrustig. De herfst is nat, de winter donker en lang. Hij verlangt naar de lente. Hij heeft zich voorgenomen één keer per jaar, in het voorjaar, met haar de liefde te bedrijven. Maar na opnieuw de Ronde van Vlaanderen in het voorjaar weet hij ook: niet op deze manier, niet meer in die verschrikkelijke drukte. Hij wil haar helemaal voor zichzelf.

Mei 2009. Het is maandag, zijn vrije dag. Hij stapt om negen uur in zijn auto, wielerkleren aan, racefiets achterin. Om half twaalf parkeert hij de auto in Oudenaarde, pakt zijn fiets eruit, zet de wielen erin, doet zijn wielerschoenen aan, zet zijn helm op en fietst weg. Een beetje warmdraaien over het jaagpad langs de Schelde, en dan ‘klassiek’ via de Oude Kwaremont naar haar. Er is niemand. In stilte fietst hij omhoog, zachtjes hijgend, even uit het zadel op het steilste stukje. Het genot is groot maar van korte duur. Boven slaat hij linksaf, en dan is het voorbij. Het extra lusje over de Koppenberg gaat vervolgens gedachteloos. Als hij terugrijdt over de A14 tussen Gent en Antwerpen beseft hij wat hij aan het doen is. Het is idioot. Het is belachelijk.

Maar toch wil hij terug, gaat hij terug, telkens weer. Elk jaar dat volgt heeft zijn willekeurige maandag in april of mei. Althans, willekeurig, hij plant die maandagen zorgvuldig, rekening houdend met zijn situatie thuis en met de weersverwachting. Het moet wel droog zijn, en het liefst zonnig. Het zijn geheime tochten, niemand weet ervan, niemand merkt er iets van, want hij is ruim voor de avond weer thuis. Strava blijft uit.

De jaren verstrijken, zijn voorjaarstochtje begint routine te worden. Tweeëneenhalf uur heen in de auto, anderhalf uur fietsen, waarvan anderhalf à twee minuten genot, en dan weer tweeëneenhalf uur terug. Is het dat allemaal waard? Die vraag stelt hij zichzelf telkens en steeds harder op de terugweg.

Op zo’n maandag in 2015, op de terugweg, neemt hij een besluit: het is de laatste keer geweest. Geen stiekeme voorjaarstochten meer naar Vlaanderen. Mocht hij haar nog weer eens zien, dan zal dat ongepland zijn, ongericht, ja zelfs onbedoeld. Een min of meer toevallige ontmoeting.

Een vrijdag in het voorjaar van 2018. Met een vriend rijdt hij een kleine Ronde van Vlaanderen, vanuit Geraardsbergen, eindigend op de Muur. De dag verloopt ontspannen, zij het met wat vlinders in de onderbuik. Vanaf Oudenaarde, halverwege, volgen ze de blauwe bordjes, langs de Schelde en via de Oude Kwaremont naar haar. Onderaan zijn geliefde klim stopt hij. Dat deed hij nog nooit. Hij pakt zijn mobiele telefoon uit zijn achterzak en maakt een paar foto’s.

Hij stapt weer op en rijdt in volle aandacht naar boven, zo hard mogelijk. Het is heerlijk. O, wat is het heerlijk. Net als die eerste keer.

Maar dit was de laatste keer, hij weet het zeker. Het is klaar. Het is goed zo. Geen tranen, maar een glimlach. Linksaf, nog één keer omkijken. “Dag lieverd”, fluistert hij, “het ga je goed.”

Hij schakelt op, zet aan en stort zich onverschrokken in de afdaling.

 

 

Frank van Dam
Latest posts by Frank van Dam (see all)