Ik heb altijd een hekel aan toertochten gehad. Zeker toen ik nog in Zuid-Limburg woonde. Toertochten daar staan garant voor busladingen matig voorbereide hobbyfietsers die de smalle grubben door het Heuvelland onveilig maken. In het weekend van de Amstel Gold Race en Limburgs Mooiste reed ik mijn rondjes steevast in de Voerstreek. Voor een fietsblad zou ik een uitzondering maken en de Koos Moerenhout Classic rijden. Het fietsblad ging ter ziele en mijn fietsambities ook. Tot afgelopen zaterdag.

gepletteuiDe voorbereiding is in alle opzichten belabberd. Alleen de Isostar in mijn bidonnen getuigt nog van enig verstand. Op weg naar Steenbergen gaat het al mis. Rondom Rotterdam raakt mijn provinciale kompas van slag. Ik neem de verkeerde afslag en blijf tierend en scheldend rondjes over een verkeersplein rijden. Als het getoeter van de andere weggebruikers ondraaglijk wordt, besluit ik de auto toch maar even aan de kant te zetten om Google Maps te raadplegen.

Eenmaal over de Oude Maas wordt het rustiger op de weg. Niet eerder was ik in deze hoek van Nederland. Het is er verrassend groen en rustig. Net als ik mijn zenuwen de baas ben, rijden bij knooppunt Hellegatsplein de eerste plukjes vroege starters me al tegemoet. Ze hebben er flink de sokken in. De windzak op de brug over het Volkerak staat op zijn strakst. De moed zakt me in de schoenen.

In Steenbergen dirigeert een verkeersregelaar me naar een geïmproviseerd parkeerterrein naast een schuur. Ik stap uit de auto en trap in een rotte ui. Mijn ogen prikken. Het is de geur van vroeger, van logeren bij opa en oma in de Zak van Zuid-Beveland, daar waar uien nog voor het dagelijks brood zorgen. Ik besluit mijn brood in de auto te laten liggen. Deze toertocht is immers tot in de puntjes verzorgd.

Onder de startboog op de Markt is geen fietser meer te zien. In dit deel van Nederland zijn ze van de klok. Geen Limburgs kwartiertje hier. Het eerste uur rij ik alleen. Niemand voor me, niemand achter me. “Mooi”, maak ik mezelf wijs, ik kan in stilte afzien. De wind duwt me voort. Ik voel dat het hard gaat. Mijn tellertje heb ik bewust thuis gelaten.

Ineens zie ik geen pijlen meer. Een lichte paniek overvalt me. Ik ben pas een uur onderweg! Ik rij de dijk twee keer op en af op zoek naar bordjes met pijlen. Ik voel dat ik iets moet eten. Mijn boterhammen… de auto… Ik vloek en geef de laatste seingevers de schuld van mijn dwaaltocht. Een sms naar de organisator dan maar; geen bericht terug. Ik bel een keer; ‘gesprek geannuleerd’. Ik bel nog een keer; ‘geen bereik’. Shit! Bij de derde poging krijg ik hem aan de lijn. “De kortste weg naar de haven van Oude Tonge nemen en daar de route weer oppikken”, klinkt het droog. Het is nog 7 km naar Oude Tonge, dat moet lukken, ook zónder eten.

Rillend arriveer ik bij de bevoorrading. De tafel vol stroopwafels, bananen en ander lekkers blijkt een kaalgevroten kraam, een fata morgana. Ik hoor dat ik een van de laatsten ben en dat ik, als ik doorrijd, bij de tweede post waarschijnlijk meer succes zal hebben. Ik bestel een tosti bij de lokale kroeg, gris de boterham van het bordje, laat een verbaasde serveerster achter en spring snel weer op mijn fiets.

Te snel. De hypo-bibbers houden aan tot de tweede post. In het wiel van een weinig spraakzame, maar trouwe politieman ben ik daar gekomen. Hij lijkt voortdurend te moeten inhouden, maar weigert van mijn zijde te wijken. In de kraam liggen nog een paar verloren oranje tompoezen, restanten van een eerdere braspartij. De verzorgers dringen aan dat ik er twee neem.

Halverwege de Oesterdam staat de politieman geparkeerd. Ik haal hem in en zet hem uit de wind. De tompoezen blijken mijn redding en zoals vaker krijg ik een tweede leven. Mijn dieselmotor raakt aardig op stoom. Ik geniet van mijn denkbeeldige gevecht tegen de windmolens en probeer het ritme aan te houden van de witte schuimkoppen die stuk slaan op de dam. De politieman weet niet van opgeven en komt naast me rijden. Ik kijk op zijn stuur. Zijn hartslagmeter verraadt dat hij stuk zit. Hij ziet bleek, moppert en scheldt op de wind. Dan geeft hij zich over.

Als we de dam afdraaien kruisen we de 160 en 200 km routes. Ik krijg er schik in, gooi het buitenblad er op en pik bij een groepje aan. De politieman, inmiddels grauw van kleur, maant me door te rijden. Ik begrijp het. Sterven kun je beter alleen doen. Bij de laatste controlepost stop ik niet meer. Het is nog maar 30 km tot de meet. Een jonge vrouw komt naast me rijden. Ze fietst pas drie jaar, maar zit prachtig op haar fiets. Ze heeft bijna 50 km meer gereden dan ik en straalt nog steeds. Het klikt en terwijl we over de schoonheid van het fietsen praten vliegen we over de Brabantse wal. We spreken af dat we elkaar volgend jaar weer treffen, hier op de grens tussen Brabant en Zeeland en gniffelen om de laatste stuiptrekkingen van de zwerm vermoeide mannen in ons wiel. “Er mag best overgenomen worden hoor!”, roept mijn reisgenote plagend naar achteren.

Thuis aan tafel vraagt mijn zoon hoopvol of ik gewonnen heb. “Ja Briek”, zeg ik, “ik heb gewonnen vandaag… van mezelf.”

Laatste berichten van Petra Uittenbogaard (alles zien)