Ik heb iets met fietsenmakers. Of, in bredere zin, ik heb iets met werkplaatsen en garages. Ik kom er graag. Als kind was dat al zo en het is nooit meer over gegaan. De geur van vet en olie, van ijzer, gereedschap en rubber. De rekken aan de muur met klemmen waarin, meestal dan toch, het gereedschap mooi gerangschikt opgehangen is. De metalen rolkasten vol lades met verborgen schatten. Voor elk probleem een oplossing. De mannen die er werken hebben vuile handen en zwarte nagels. Hoe smeriger, hoe mooier. Soms piept er een gespierde bovenarm met tattoos onder een T-shirt mouw vandaan. Er zijn er die een leren schort, overall of werkmansbroek dragen… Echt, dan kun je me opvegen. De garagezeep waarmee ze hun handen aan het eind van een lange werkdag wassen is subliem. Een wondermiddel. Mijn vader had vroeger ook zo’n pot bij de wasbak in de bijkeuken staan: een emmer vol dikke geelbruine smurrie met de geur van groene zeep en iets ‘citroenigs’ erdoor.

Als je die werkplaatsen binnen stapt hoor je enkel het gesleutel, het geluid van staal op staal, ratelende versnellingsapparaten en soms muziek uit een radio, meestal radio 538 of een lokale zender. Zo’n werkplaats is een heerlijk zwijgzame mannenwereld. Ergens in een voor de klant onopvallend hoekje hangt een verdwaalde pin-up aan de muur. Soms kijken de mannen even op, kort knikje, een vriendelijke glimlach, om dan weer onverstoord verder te sleutelen. Opperste concentratie, geen tijd voor geintjes, doorwerken want de stroom aan fietsen of auto’s die gerepareerd moet worden houdt nimmer op. Fietsenmakers en garagisten hebben altijd wachtlijsten. Net als dokters. Hoe slecht het met de economie ook gaat, een band moet toch geplakt, een ketting vernieuwd en kogellagers vervangen.

Fietsenmakers… In Maastricht had ik mijn vaste adres. Oké, ik ging wel eens vreemd of kocht soms wat via internet, maar bij serieuze problemen kwam ik altijd weer bij mijn fietsenmaker uit. In dik 20 jaar kregen we een prachtige platonische relatie, die me overigens vele honderden Euro’s heeft gekost. De fietsenmaker wist hoe het me verging en groeide met me mee: van mijn eerste aluminium racefiets op maat en een omafiets van het fietsenplan, naar een stoere mountainbike, een tweede carbon racer tot een fietskar en later nog een transportfiets met krat en twee kinderzitjes.

Na mijn verhuizing naar het westen miste ik mijn fietsenmaker, zijn hartelijkheid en vertrouwen. Ik moest weer helemaal opnieuw beginnen. Nu heb ik er weer een gevonden. Bij mij om de hoek. Het ruikt er als vanouds en de werkplaats is een gezellig zootje. Zodra we langs fietsen en worden waargenomen wordt er altijd even gezwaaid. In het voorjaar kocht ik er een nieuwe fiets voor mijn zoon, omdat ik de lokale ondernemers in ons kneuterige jaren ’30 buurtje een warm hart toedraag. Vanmiddag dronk ik er koffie, uit een plastic bekertje. Toegegeven, het was niet de heerlijk vers gemalen espresso zoals in die sjieke zaak in het zuiden, maar het gaat om het gebaar. Eigenlijk kan ik een heleboel zelf inmiddels, maar ik vertik het om het te doen. Ieder zijn vak. Ik kom graag bij de fietsenmaker. Al is het alleen maar om af en toe die heerlijke geuren uit mijn jeugd op te snuiven.

Foto: Haico Tweewielers VOF, Soest

Laatste berichten van Petra Uittenbogaard (alles zien)