“Waar is de Tour? Die zit in mijn hoofd. En ze verdringt alles en iedereen. Het voelt als liefdesverdriet. Maar ik denk dat ze terugkomt.”

Vandaag, zondag 31 juli 2016 is de Tour alweer een week geleden heengegaan. De radio zwijgt. De tv zwijgt. De krant is blind. Het zwarte gat, op dit toonaangevende wielerblog al meer dan eens beschreven, – moeilijk te onderschatten ook, het is een klinische toestand – ligt als een grote put besmuikt te loeren in een of andere Franse C-weg, door het felle zonlicht aan het zicht onttrokken.

Eenmaal in het zwarte gat beland, rest nog slechts te vertrouwen in de enige remedies: leven, liefhebben, eten, drinken, barbecueën. En zeer nauwkeurig met een vierjarig mannetje elk plaatje in de Tourspecial bekijken, op zoek naar Vincenzo Nibali. Er is hoop. De zomer is ten slotte een wapenarsenaal aan herinneringen die ingezet worden tegen de schier onneembare en vooral lelijke vesting: het zonder enige twijfel meest zinloze seizoen allertijden: De herfst.

Enigszins te contempleren, immers: je zit toch in een zwart gat, dus wat sjakt het, is ook niet weg. Wie is toch de Tour? Hoe verhouden zich mijn herinneringen, die zich nestelen om te verworden tot hopeloze melancholie, tot de werkelijkheid vol non-believers, empiristen en cynici. Bestaat die verhouding überhaupt? Ben ik misschien krankzinnig? Het zijn nuttige vragen, daar in dit gat.
Daarom hieronder het stappenplan van Tourcontemplaties in het zwarte gat dat leidt tot bevrijding.

Voor MJ.

1. Eerst: het dualisme van de Tour.

14 juli 2015. Marcel Queheille is zesentachtig. Maar niets verraadt ouderdom, zijn ogen stralen nog steeds. Onder zijn felrode baret tovert hij voortdurend een gulle lach op zijn gerimpelde gelaat. Een lach die weet. En lach die verhult. Om hem heen zingen de mannen van Le Choeur Oldarra, ‘Le choeur Basque par excellence’, meerstemmig. Queheille springt op een oude tandem, die voor de gelegenheid op een rolbank is gemonteerd. Voorop zit oud-wereldkampioen Luc Leblanc. Hij houdt het traptempo van de oude dorpsheld moeilijk bij. On rit!

Familie, dorpsgenoten en de levende legende Raymond Poulidor kijken geamuseerd toe. Ze maken veel lawaai. Dat moet ook, want vandaag eert Sauguis-Saint-Etiènne zijn touretappewinnaar van 1959. Le Diable Rouge. Aan het spit draait een zwijn geduldig, wachtend op zijn garing. Er wordt gedanst, gegeten en gedronken. De zon schijnt. En straks komt de Tour voorbij. Oude regels, nieuwe helden.

wibe_waarisdetour

Quiheille zal ze kunnen aanraken, zijn oude rimpelige hand op een rennersrug die waarschijnlijk nog nooit gerecht werd aan de finish, zoals hij de zijne ooit wel rechtte. In de aanloop naar de slotklim, richting Pierre-Saint-Martin zal niemand in het peloton weten wie hen in het piepkleine dorpje Sauguis heeft toegezwaaid, geëerd heeft, heeft toegelachen. Sauguis-Saint-Étienne in Soule Baskenland is de Tour en de Tour is Frankrijk. En als de Tour eindelijk voorbijtrekt, geniet de oude Queheille van zijn ontmoeting met zijn teruggekeerde liefde.

Maar zijn liefde heeft al bijna 60 jaar twee gezichten.
Hij heeft hem in de ogen gekeken, Le Diable Rouge. Alex Virot, maquisard, Gestapojager van het eerste uur, Capitaine Alex, onderduiker, vermaard sportverslaggever, pionier in de radioverslaggeverij. Met zijn motard René Wagner vormde hij een magisch duo. Het is de tijd van de slechte wegen, smalle motorbandjes, het stof, de leren jassen en leren helmen. Van de schitterende foto’s van lijdende coureurs, kromgebogen, verbeten strijdend. Jacques Anquetil, de Tourmalet.

De motor accelereerde en schoot voorbij aan Marcel Queheille en die kijkt terug met dezelfde ogen die zestig jaar later het kleurrijk spektakel voorbij zouden zien trekken.
Spanje, 14 juli 1957. Queheille ziet de motor slippen op de gravillons in een oplopende bocht en verdwijnen in de afgrond. “Elle partit en zigzag, Le chauffeur tenta de la maîtriser (…) Je n’apercu plus que deur jambes en l’air, et des souliers qui voltigeaient. Jamais de ma vie je ne pourrai oublies cela”. Wagner zal sterven in de ambulance, Alex Virot is op slag dood. Marcel Queheille was de laatste renner die ze levend zou zien.

2. Daarna de vruchteloze zoektocht naar zingeving.

Heeft de Tour zin? Is er een diepere betekenis? Het was een kort mailtje. Aan Mart Smeets. Het was in het jaar waarin kijkers van de Avondetappe een vraag mochten inzenden, die dan in de avondetappe mogelijk werd beantwoord. 2005 ofzo. The good old days. De beste vraag werd beloond met een fiets. Dat zou mij (relatief) een worst zijn, omdat ik op zoek was naar zingeving. Maar, opportunisme is ook wat. Ik zou die fiets niet afslaan. Dus typte ik een mailtje naar de redactie. Kort, bondig en doorspekt van realiteitszin.

‘Beste Mart, hoe kan het toch dat dichters, schrijvers, journalisten ondanks alle negatieve pers de laatste jaren, altijd gefascineerd blijven door de wielersport?.’

Best een goede vraag. Zeker in vergelijking tot die van mijn opponent. Die ging -bleek in de uitzending- over zadels. Een onvolprezen hoofdredactrice van een ‘knip en plak’ sportblad was aangeschoven om mijn vraag te beantwoorden. Mart ging ervoor zitten. En alsof mijn naam alleen al de verpersoonlijking was van het beter te negeren provincialisme, braakte hij die uit. Als een haarbal. Met veel lucht. ‘En dan komt nu een vraag van (pauze) Wibe (pauze) Balt uit (pauze) Groningen. Hij las het ding voor aan de hoofdredactrice die hem met holle ogen aankeek. ‘Tja’ zei ze. ‘Dat komt omdat er altijd wel wat gebeurt’. En zo ging die knakker met zijn zadelvraag door naar de finale. Voor de fiets. Die avond heb ik mijn onschuld verloren. ‘Omdat er altijd wel wat gebeurt.’

3. Vervolgens de thuiskomst

Juli 2003. De ereronde op de Champs-Elysées begon. De renners reden langzaam. Mijn hand rustte heel even op zijn rug. Niet kloppen, rusten. Niet dat mijn dag nog gemaakt moest worden. Ik had Julius Caesar al gezien. De kleine Texaanse veldheer, die op zijn strijdwagen langs de triomfboog was gereden op weg naar het altaar in de tempel van Jupiter. Zijn gezicht beschilderd met ossenbloed. Vae Victis.

Hij hief zijn armen in de lucht, draaide even naar alle kanten. Lance Armstrong, alleen al het fluisteren van zijn naam was voldoende voor het beklinken van mijn onvoorwaardelijke liefde. Ik had de Tour zien finishen. Ik had Lance zien juichen. Een agent keek me aan. Hij lachte. Het centrum van Parijs, haar goudgele boulevards, het geluid van miljoenen, de gedachte dat dit hart voortdurend werd gevoed door de duizenden wegen, volgepropt met vrachtwagens en auto’s waarvan sommige bestuurders vaak niet eens wisten welk spektakel hun stad had aangedaan. Langs geschilderde tralies, strak gepleisterde kampioenen van het neo-classicisme stonden de massa’s. Iedereen golfde mee op de maat en het ritme van de carbon klankkasten. Er was alleen applaus. Muziek. Kleur.

Mijn hand had zijn rug gevoeld en ik had mijn hand teruggetrokken. Er vol verbazing naar gekeken. Hij had de warmte van de laatste etappe geabsorbeerd. Ik had zijn gezicht gezien. Bruinverbrand. Michael Boogerd had een stempel op mijn ziel gedrukt. Janken? Tuurlijk. Het is de meest individuele en eerlijke ervaring van zoiets onbenulligs als wielrennen. Nú kon ik naar huis gaan.

4. Dan de naïeve liefde

Hij had er gestaan, moederziel alleen in die verstilde wereld. Omringd door het lonkende fluisteren en en het raspen van de krekels, de fatale uitnodiging van een Alpencol. Hij raapte een plastic reliek van een voorbijgetrokken triomftocht op. Hij was geroerd, volledig bevangen door het besef van de eindigheid van drie weken ultieme sport en het geluk dat juist hij dit bidonnetje had gevonden. Het bidonnetje was het bewijs dat de Tour op deze plek was geweest. Sluitend.

Hij stuurde mij het bericht dat hij langs het verschroeiend hete afvalt in het dal van de Col de la Forclaz een bidon van Etixx-Quickstep vond. De kans bestaat dat hij van Alaphilippe is geweest. Of van Tony Martin, of van Dan Martin. Bedenken we. Beter: Alaphilippe gaf hem aan Tony Martin en die gaf hem aan Dan Martin.

Het is zo’n moment wat je dan direct deelt met een wielervriend. Eentje die begrijpt dat de vondst alleen niet significant is, maar de verpakking. Het verhaal eromheen, erachter. Hij was op dat moment, als het ware, geabsorbeerd door de herinnering aan een voorbije Tour. Een sublieme Toursensatie.

Gelukkig wordt in het zwarte gat alles relatief. Ook een bidon. Dus in plaats van de bidon tot klaroenstoot van een bepaald miserabele periode vol pijn en zelfbeklag te verheffen, luisteren we beter naar Bert Wagendorp die in De Muur van maart 2016 een nuttige berekening presenteerde: ‘Er zijn misschien honderd miljoen mensen die enige kennis van de koers hebben (…) De overige 7,2 miljard aardbewoners snappen er helemaal niks van en vinden er weinig aan.” De kans dat je als liefhebber een ander iemand gelukkig maakt (bijvoorbeeld met je bidonsensatie, of met een quasi filosofische bespiegeling over de Tour in relatie tot andere leuke dingen) is gewoon niet heel groot. Enfin, de lucht boven het zwarte gat wordt weer blauw.

5. En ten slotte omarmen we de eeuwigheid.

Tot over een jaar lieve Tour de France. Ik zal je missen, koesteren. Ik zal de grote namen die jou in al die jaren gemaakt hebben herhalen als een mantra. Fernando Escartin, Joaquim Agostinho, Marco Pantani, Gösta Petterson, Gert Jacobs. Als ik mijn ogen sluit, zie ik ze koersen. Ik zie Tom Dumoulin, in een onverbiddelijke hagelbui naar zijn overwinning op de Arcalis klimmen. Ik zie de droevige blik van Jimmy Casper, hoor de lach van Robbie McEwan. En dan vouw ik mijn handen achter mijn hoofd, leun ik achterover en dan snuif ik de bevrijding. Dan klim ik uit het zwarte gat. Want ik weet nu zeker:

Je komt toch weer terug. Mijn grote liefde.

Latest posts by Wibe Balt (see all)