10 November 2014. Het is koud, waterkoud, deze vroege zondagochtend. De ijzige mist hangt in flarden boven de velden. Uit de natte nevel duikt hier en daar een eenzame boerderij op. Een vermoeide hond blaft. Het geluid draagt niet ver. De Achterhoek is leeg en verlaten. En daar zal vandaag weinig verandering in komen.

Het is geen weer voor uitstapjes.

Dan, plots, zacht geratel. Een ketting, een derailleur. Gonzend geluid. Keiharde bandjes op glad asfalt. Een regelmatige ademhaling komt verrassend snel naderbij. Een lange, graatmagere kerel fietst voorbij. Oranjeshirt, lange mouwen, lange koersbroek. Een snelle groet, twee ademwolkjes, en weg is ‘ie.

Inderdaad: Robert Gesink. Lokale held. Kopman van de Rabobank. Paradepaardje.

Gesink grijpt z’n kans, vandaag. Weinig verkeer, heerlijk stukje fietsen. Vanuit Aalten langs de IJssel kronkelend omhoog naar Zutphen, dan de Veluwe op, naar Apeldoorn, Wageningen, en vervolgens via de Posbank en de Duitse bossen terug naar vrouw en kinderen. In totaal zo’n 220 kilometer. Een stevige rit, zoveel is zeker. Maar Robert is niet bang. Hij is deze morgen vol zelfvertrouwen op de fiets gestapt. Hij weet het, hij voelt het. Al enkele dagen, enkele weken misschien. Het is onmiskenbaar.

Hij is in topvorm.

Een heerlijk gevoel.

De voorbereiding begon in maart. In Parijs. Of beter: in zo’n grauw voorstadje. Zeven dagen in het zadel. Koersen naar de zon, Parijs-Nice. De perfécte training, ieder jaar weer. Avond aan avond met de ploegleiding de resultaten bekijken. Gemiddeld wattage? Tegen de 320. Keurig, voor de eerste afspraak. Hartslag zo laag mogelijk houden, luidde het devies. Hoog beenritme. Niets overhaasten. Weg, ver weg  blijven van het omslagpunt, dat sowieso. Pas in april, in de Amstel en de Waalse klassiekers, mocht hij er een schepje bovenop doen. Een stap maken, noemt de ploegleiding dat. Weer eens ouderwets verzuren, wennen aan de pijn.

Stap voor stap. Geleidelijk. Voorzichtig brengen. Dat is de aanpak van de ploeg. En Robert voelt zich daar goed bij.

Alles in dienst van Het Doel.

Vandaag dus op het programma: 220 kilometer. Dat is een uurtje of zes koersen. In z’n uppie. Tijd genoeg om na te denken. Om het seizoen te evalueren. Begin april was daar even de angst. Hij rilt weer bij de gedachte. Pijn in de knie. O jee, het schema, de planning! Wat nu? Maar de paniek bleek onnodig: in april toonde hij alweer z’n klasse. De Amstel reed hij met speels gemak uit. Fraaie top-20 plek. Doelstelling ‘de finale rijden’ gehaald. Daarna volgde het Ardense tweeluik. Het gevoel was goed, de benen bleken super. Ook de cijfers toonden aan dat zijn lichaam met de week beter tegen de onmenselijke inspanningen bestand bleek.

Alleen de klasseringen vielen wat tegen. 97e op de Muur van Huy, 53e in Ans.

Uitslagen zeggen weinig, hield de ploegleiding hem voor. Focus op het goede gevoel. Stap voor stap. Geleidelijk. Denk aan Het Doel.

En dat doel kwam dichterbij. Zeker na de periode van uitzonderlijk harde training in juni en juli. Op het NK in Valkenburg, alweer voor het vierde jaar op rij gewonnen door Niki Terpstra (‘Domme Niki, vliegt er altijd als een kip zonder kop in’, zei de ploegleiding altijd), stapte hij drie ronden voor het eind af. Moe, maar uiterst voldaan. De test die hij dezelfde week nog aflegde op het hoofdkantoor van de ploeg, bevestigde dat gevoel.

Maximaal vermogen 520 watt. Had nog nooit iemand van de ploeg weggetrapt.

Vol vertrouwen toog hij naar de start van de Tour.

Tijdens die ronde bleek hoezeer het trainingsschema in de loop der jaren verfijnd was en toegespitst op zijn frêle, breekbare lijf. Drie weken van knoertharde koers volgden, maar hij finishte zo fris als een hoentje op de Champs-Elysées. Zonder ook maar één moment noemenswaardig in het rood te rijden, eindigde hij op een keurige 18e plek. Vooral het dagelijkse vlotte herstel stemde hem hoopvol. Waar anderen in de eerste week de stenen uit de straat reden en wonnen, maar daarna zienderogen verzwakten, daar presteerde Robert drie weken lang op constant niveau.

Dat is je grote kracht Robert, zei de ploegleiding altijd. Met het hoofd koersen, op reserves rijden, geen tien, geen drie, maar een zeventje. Dag in, dag uit.

Alles in dienst van Het Doel.

‘Mij krijgen ze niet gek’, zei hij altijd als de pers kritische vragen stelde. ‘Ik weet waar ik naartoe werk. Een heel jaar pieken, dat gaat tegenwoordig niet meer.’

Het is inmiddels middag. De zon is doorgebroken, maar de kou blijft. Hij sprint de Posbank op, en verorbert vervolgens in de nabijgelegen uitspanning een reusachtige pannenkoek met spek en een warme chocomelk. Dan vervolgt hij zijn weg, terug naar Aalten.

Zijn gedachten gaan terug naar de maand september, de maand waarin hij traditiegetrouw de puntjes op de i zet. Eerst was daar de Vuelta, die hij niet reed om te winnen maar om hardheid op te doen. Twee etappes had hij aangekruist. Daarin ging hij zich testen. Voluit koersen tegen het omslagpunt aan. Niet erover, dat hoefde nog niet. Maar door volle bak de Angliru en de Cuitu Negru op te knallen, bewees hij zijn getrainde lichaam de allerlaatste perfecte dienst.

Niets stond de absolute topvorm nu nog in de weg.

De beloning volgde op het WK in München, waar hij op een loodzwaar parcours als negende finishte, en in Lombardije waar hij een ‘fantastisch gevoel’ overhield aan z’n derde plek in het Noord-Italiaanse beestenweer. ‘De pedalen niet gevoeld vandaag’, twitterde hij ’s avonds opgetogen.

De ploegleiding complimenteerde hem. Een nieuw tweejarig contract lag op zijn handtekening te wachten.

En nu, nu fietste hij hier door het kale Duitse niemandsland. Moederziel alleen, door de snerpende herfstkou. Dik 200 kilometer staat er op de teller, in minder dan 6 uur. Gemiddelde van 35 per uur. Fluitend, twee vingers in de neus. Het Doel is bereikt. Eenmaal thuis zet hij de fiets in de schuur, loopt de warme woonkeuken in en kust zijn vrouw. ‘Hoe ging het schat?’, vraagt ze. ‘Fantastisch’, zegt hij glunderend. ‘Geen centje pijn. Beter dan ik had durven dromen.’ ‘Je hebt er anders hard genoeg voor gewerkt’, glimlacht ze, en schuift een bord dampende boerenkool met worst onder z’n neus. Gretig valt hij aan.

Hij kijkt nu al uit naar volgend seizoen.

Sander Peters

Als Sander Peters (1974) geen teksten schrijft, zit 'ie op de fiets. De racefiets dus. Een Trek, lekker degelijk. Want klussen aan z’n fiets, daar houdt ‘ie niet zo van. Ook niet zo’n fan van clichés en pseudo-intellectueel geneuzel over de koers (Hoogmis, Koers Van De Vallende Bladeren, Hel Van Het Noorden, Il Lombardia, etc.). Dol op macaroni-met-smac-en-kaas en de Vuelta.