Daar begrepen we niets van, vroeger, bij ons thuis; lui die janken om sportief malheur.

Stel je niet aan! Spaar je tranen voor de momenten waarop je ze echt nodig hebt!

Later, toen bleek dat tranen helemaal niet vanzelfsprekend stromen op de momenten waarvoor we ze hadden opgespaard, sloeg dat onbegrip zelfs om in woede. Een snotterend sportfiguur op de buis, devalueerde ons verdriet. Zo voelden we dat.

Weer later veranderde dat opnieuw. Bij mij althans. Niet alleen omdat het verdriet langzaam sleet, maar ook, of misschien wel vooral, omdat ik mij bekeerd had tot de wielersport. Al snel ervoer ik dat die sport zich afspeelde in een totaal andere realiteit. Of eigenlijk ervoer ik dat niet; ik werd er in gezogen. Zo diep dat alleen de koers mijn geluk bepaalde.

Helaas beschikte ik over zeer weinig talent. Zo weinig zelfs dat mijn meer dan volledige overgave ontoereikend bleek dat gebrek aan kwaliteit te compenseren. Ik gaf alles wat ik had, maar kreeg er helemaal niets voor terug. Tenminste zo voelde ik dat, wanneer ik helemaal afgepeigerd, na weer een eindeloze martelgang aan de staart van het peloton, in tranen, mijn fiets in de kofferbak van de auto smeet, vastberaden het kreng er nooit meer uit te halen, omdat het over en uit was met deze ondankbare liefde.

Dat alles schoot door mijn hoofd, afgelopen zondag, toen ik geraakt werd door het verdriet van Sep Vanmarcke die in het Velodrome van Roubaix als een geknakte zuurstok een nieuwe afwijzing van zijn grote liefde Parijs-Roubaix stond te verwerken. In eerste instantie deed hij nog een wanhopige poging zijn onmetelijke verdriet te verstoppen achter een façade van cynisme en een veel te grote bril. Maar dat was onbegonnen werk. Zijn verdriet drukte duidelijk zichtbaar op zijn maag, als een loodzware kassei die tot ontploffing kwam tijdens het interview en waarvan de brokstukken zich loodzwaar door het uitgewoonde lijf verspreidden, zozeer dat het met dranghekken tegen volledige instorting moest worden gestut.

Het is mij niet gegund, prevelde Sep. En heel even dacht ik Michael Goolaerts, de renner die het een jaar geleden, hier, in deze hel, niet gegund was verder te leven. Maar in tegenstelling tot vroeger was het een gedachte zonder waardeoordeel, zonder onbegrip of woede. Dat komt omdat ik denk dat ik beide soorten verdriet herken. Maar ook omdat ik weet hoe oprecht ze beiden zijn en ze elkaar misschien zelfs versterken, hier op deze beladen wielerbaan, deze mythische plek waar de grens tussen het echte leven en het koersleven voor een middag vervaagt.

Een vervloeiing die deze koers zo gruwelijk prachtig maakt.

Maar er is ook een groot verschil tussen die twee uitingen van verdriet.

Gelukkig maar.

In tegenstelling tot Sep Vanmarcke krijgt Michael Goolaerts geen kansen meer. Het verdriet om zijn dood zal altijd blijven bestaan. In het gunstigste geval zal het slijten. Het verdriet van Sep Vanmarcke daarentegen zal vandaag wellicht alweer een teleurstelling zijn. En ooit zullen zijn kansen keren. En dan zal teruggekeken worden op deze middag. Op de tranen die naadloos passen in het perfecte wielerverhaal.

Een verhaal van vallen, weer opstaan en uiteindelijk overwinnen.

Joost-Jan Kool

Joost-Jan Kool (1977) uit Lexmond houdt van de koers. Zowel actief als passief. Passief, languit op de bank of springend voor diezelfde bank (afhankelijk van koersverloop) en actief door het rijden van criteriums. Dat laatste valt niet mee door gebrek aan voldoende tijd en vooral talent. Desondanks toch verzot op de foute muziek, de geur van massageolie en de sterke verhalen die de koers maken wat het is. Schrijven over wielrennen is overigens een prima alternatief. Grote droom is het winnen van ‘zijn’ Ronde van Lexmond. Is realistisch genoeg om te beseffen dat dromen vaak bedrog zijn.
Joost-Jan Kool

Latest posts by Joost-Jan Kool (see all)