Michael Boogerd zag altijd zwarte sneeuw als ‘ie moe was. Ik lekkere meiden in minuscule en/of nauwsluitende pakjes. Echt waar.

Zomer 2007. Ik fiets een rondje om een Noors bergmeer. Rustieke omgeving, frisse lucht, schilderachtige houten huisjes en bootjes, maar verder geen ene moer te beleven. In elk geval ontbreekt ieder spoor van de busladingen schone blondines die mij in het vooruitzicht waren gesteld door vrienden. Tot die middag. Ik heb er zo’n 60 kilometertjes op zitten, met een vaartje van een dikke dertig in het uur, en begin wat scheel te zien. Ook in Noorwegen loopt de weg soms gemeen omhoog. Ik zeil door de bocht en hoop de vlaggen van onze rendiertruienfamiliemannencamping te zien wapperen. In plaats daarvan knal ik bijna tegen twee vrouwen op. Twee knappe, blonde vrouwen. Wat zeg ik? Twee ontzettend lekkere meiden. Zusjes, duidelijk. In strakke pakjes. Met fan-tas-tische lijven, en haar tot op de kont. (Dat ze aan nordic walking deden, vergeten we hier snel). Hallo, zeggen de zusjes. Hoei, en whaa, roep ik, want ik rijd bijna het meer in. Dit kan niet waar zijn. Ik hallucineer, toch? Eenmaal veilig tot stilstand gekomen, werp ik een gretige blik over mijn schouder. Ik zie nog net twee barbies in felroze skipakjes de bocht om heupwiegen. Dan is het weer stil. Op de camping vertel ik het verhaal aan mijn vrouw. Ze hoort me beleefd geduldig aan en zegt, op bezorgde toon: “Pas je wel op jezelf met dat fietsen. Niet te diep gaan, hè?!”

Nog wat langer geleden. Midden jaren negentig, denk ik. Tijdens de afdaling van de Croix de Fer krijg ik een klapband. Schrikken dus, want wie een berg afrijdt met een lekke band, heeft een probleem. Sturen is dan lastig, heel lastig. Ik kan twee kanten op: tegen de rotswand langs de weg of het ravijn in. Ik kies voor optie a. en godzijdank loopt het goed af. Paar schrammen en bulten, maar verder niets. De fiets is er slechter aan toe. Daar sta ik dan. Gebutste fiets, moe en geschrokken, op een hoge berg, ver van huis, vies en bezweet, licht gewond, in een mal pakje. Wat nu? (Voor de jonge lezertjes: we hebben het over het pre-mobiele tijdperk). Liften! Duimpje omhoog en hopsakee, daar stopt de eerste auto al. Een deux-chevaux. Het portier piept en kraakt open, en – verdomd als het niet waar is – drie witblonde meiden in zeer korte spijkerbroekjes stappen uit. Of ik met hen meewil. De fiets kan er vast wel bij. Pas de problème. Ik zweer: al had ik de fiets eigenhandig in vier stukken moeten breken, dan nog was ik juichend de eend ingestapt. Ik wrijf nog eens in m’n ogen, maar het is echt waar. Die nacht word ik badend in het zweet wakker, dromend over de levensgrote kans op een wild avontuur met drie fijne meiden. De kans die ik, de loser, heb laten schieten.

Dat er zo van die dingetjes veranderen met het klimmen der jaren, en niet altijd ten goede, blijkt deze week. Ik trap me op de sportschool helemaal het schompes op de spinningfiets. Echt, ik zie zwarte… eeh, ik zie lekkere mei… eeh, ik word op m’n schouder getikt door een vrouw in een strak joggingpak. Ze is een jaar of zestig. Grote uilenbril, borsten tot op haar knieën, en een wrat op d’r neus. Baardharen groeien uit haar kin. De vrouw klopt op m’n kont, en vraagt verlekkerd: “Samen douchen?”

Gillend word ik wakker. M’n vrouw informeert bezorgd of alles goed gaat. “Ja hoor”, zeg ik triomfantelijk, “deze keer was het wél een echte droom!”

Sander Peters
Laatste berichten van Sander Peters (alles zien)