Foto Stefano Sirotti
De stand van het Nederlandse wielrennen: moeten we ons zorgen maken?
Nederlandse vrouwen domineren het wielrennen, terwijl de mannen steeds meer moeten leunen op een handvol toppers. Dat is misschien wat kort door de bocht, maar terwijl de ene generatie vrouwen de successen aaneenrijgt en nieuwe talenten zich aandienen, wordt het bij de mannen steeds lastiger om opvolgers te vinden voor de gevestigde namen.
Dit artikel verscheen als eerste op ons Substack-kanaal, volg je ons daar ook al?
Hoe staat het Nederlandse wielrennen er nu eigenlijk echt voor? Met het einde van het wielerjaar 2026 en de uitreiking van de Wielergala Awards is dat een vraag die relevant is voor ons wielervolgers. We kijken achterom naar de Nederlandse resultaten, maar ook vooruit naar de toekomst. Wat kunnen we verwachten de komende jaren?
Ladies on top
Wie naar het vrouwenwielrennen kijkt, hoeft niet lang te zoeken naar Nederlandse successen. Demi Vollering wint grote rondes en de wereldtitel, Lorena Wiebes sprint het ene na het andere peloton naar huis en ook Puck Pieterse en Anna van der Breggen behoren tot de internationale top. En dat is slechts de top-10: Nederland heeft een hele lichting rensters die op het hoogste niveau kan meedoen.
Want ook achter deze topvrouwen staan veel landgenotes: de top-100 van de UCI Ranking telt maar liefst 22 Nederlandse vrouwen. Het is een ongekende luxe, die ook al jaren aanhoudt. Ter vergelijking: ook in 2018 stonden er 20 Nederlandse vrouwen in de top-100.
Voorlopig lijkt er bij de vrouwen dan ook weinig reden tot paniek. Zeker omdat ook jonge rensters als Nienke Vinke, Lieke Nooijen en Nienke Veenhoven dit jaar mooie dingen hebben laten zien en de toekomst voor Nederland nog wel even rooskleurig lijkt te zijn. Al moeten we niet blind zijn voor de internationale concurrentie die steeds sterker wordt. België, Italië, Frankrijk, Polen en andere landen investeren in hun vrouwenprogramma’s en brengen steeds meer rensters voort die grote wedstrijden kunnen winnen. En toch zal de dominantie van Nederland nog wel even aanhouden.
De mannen schakelen terug
Bij de mannen is het een heel ander verhaal. De cijfers over de Nederlandse mannen op de UCI-wereldranglijst zijn niet bepaald geruststellend. In 2018 stonden nog tien Nederlanders in de top 100 en 41 in de top 500. In 2026 zijn dat er respectievelijk vijf en dertig.

Dat wil niet zeggen dat het Nederlandse mannenwielrennen er heel slecht voor staat. Mathieu van der Poel is een fenomeen en ook renners als Olav Kooij, Dylan Groenewegen en Thymen Arensman kunnen op hun terrein wedstrijden winnen of voor aansprekende resultaten zorgen. Maar het aantal Nederlanders wat meerdere wedstrijden per jaar wint is voor een land met een rijke wielertraditie vrij beperkt.
Slechts drie Nederlanders wonnen dit jaar meer dan één UCI-koers op niveau .1 of hoger. Voor een land met zo’n rijke wielertraditie is dat nogal een magere oogst. Natuurlijk hoeft niet ieder jaar een nieuwe Nederlandse veelwinnaar op te staan, maar iets meer zegepakkers zou toch wel lekker zijn.

Bovendien doen we als Nederland de laatste jaren niet echt meer mee in etappekoersen. Alleen Thymen Arensman lijkt een vaste waarde in de top-10 van een eindklassement te kunnen worden, voor de rest is het zoeken naar renners die voor een klassement willen gaan. Mannen als Robert Gesink, Tom Dumoulin, Bauke Mollema, Wout Poels en Wilco Kelderman zijn gestopt of niet meer in de rol om een klassement na te streven en worden node gemist. En dat is even wennen voor ons wielervolgers.
Het is te hopen dat de komende jaren jonge renners als Pepijn Reinderink en Tijmen Graat nog een stap kunnen zetten, want anders zal het in het komende decennium weer ouderwets speuren worden naar landgenoten in bergetappes van grote rondes.
Op klassiekergebied is het wat dat betreft een pak beter. De broers Mick en Tim Van Dijke, Daan Hoole en Rick Pluimers hebben mooie dingen laten zien en ook van Tibor Del Grosso mogen we de komende jaren wel wat verwachten. Maar we zijn ook benieuwd naar de verdere groei van mannen als Frits Biesterbos, Huub Artz en Axel van der Tuuk die hebben laten zien zich met de grote mannen te kunnen meten.
De Nederlandse toekomst is onzeker
De grote vraag is hoeveel renners er achter de gevestigde namen klaarstaan. Wie gaat straks met de besten mee omhoog in de Tour? Wie neemt het stokje over in de klassiekers? En welke jonge Nederlander gaat ons binnenkort voor het eerst verrassen met een uitslag die we niet zagen aankomen?
Veel zal afhangen van de opleiding en de doorstroming van talent. Jonge renners moeten niet alleen een profcontract kunnen bemachtigen, maar ook de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Dat vraagt om samenwerking tussen clubs, opleidingsploegen, profteams, de bond en organisatoren. Ook de toekomst van Picnic-PostNL is in dat opzicht belangrijk: een Nederlandse ploeg op het hoogste niveau kan jonge renners een route naar de top bieden.
Want zolang Van der Poel, Kooij en Groenewegen hun overwinningen blijven pakken, is er weinig reden om niet enthousiast te worden van het Nederlandse wielrennen. Maar wat gebeurt er als zij straks minder gaan winnen of stoppen? Dan wordt pas echt duidelijk hoe breed onze basis is.
Hoofdredacteur Het is Koers