Foto Sirotti
25 juli 2004: Tom Boonen wint in Parijs en bouwt voort op Belgische traditie
In zijn eerste Tour knokte Tom Boonen zich naar winst op de Champs-Élysées. Zijn sprint paste in een lange Belgische reeks, van Walter Godefroot tot Wout van Aert.
Het is 25 juli 2004 als Tom Boonen, de 23-jarige Vlaamse sprinter van Quick Step, over de kasseien van de Champs-Élysées naar de laatste bocht raast. Zijn ideale spoor is verdwenen, de sprinttrein valt uiteen en voor hem openen Stefano Zanini, Erik Zabel en Danilo Hondo de strijd. Boonen vindt het wiel van Hondo, maakt zich los en komt in de laatste meters langszij.
Jean-Patrick Nazon, een jaar eerder nog winnaar op dezelfde avenue, wordt tweede. Robbie McEwen eindigt als vierde en stelt het groen veilig. Boonen wint voor de tweede keer in zijn eerste Tour, op het podium dat iedere sprinter wil bereiken.
De finish typeert Boonen: hoge snelheid, gedrang, kasseien en een duel dat pas op de streep wordt beslist. In juli 2004 is zijn latere palmares echter nog grotendeels toekomstmuziek.
Van Angers naar de Champs-Élysées
Boonen had zijn eerste Tourrit al op 9 juli gewonnen, na een chaotische finale in Angers. Een massale valpartij liet slechts een beperkte groep overeind, waarna de Quick Step-renner Erik Zabel en Stuart O’Grady klopte. De zege bevestigde zijn doorbraak, die in het voorjaar al zichtbaar was geworden.
Boonen had in 2004 de E3 Prijs Vlaanderen, Gent–Wevelgem en de Scheldeprijs gewonnen. Twee jaar eerder was hij als jonge knecht derde geworden in Parijs–Roubaix, nadat kopman George Hincapie was gevallen. Bij U.S. Postal Service zag hij te weinig ruimte voor eigen kansen, waarna hij naar Quick Step vertrok. Daar stond Johan Museeuw, zijn jeugdidool en de kopman van de Vlaamse klassiekers, nog boven hem in de pikorde.
Museeuw bleef aanvankelijk boven hem in de pikorde, terwijl de Tour duidelijk maakte dat Boonen meer was dan een toekomstige kasseispecialist. Hij kon overleven in een nerveuze finale en beschikte na drie weken koers nog over een sprint waarmee hij de snelste mannen versloeg.
De slotrit zelf volgde aanvankelijk het bekende protocol. Lance Armstrong begon met een voorsprong van meer dan zes minuten aan de rit vanuit Montereau. Zijn ploeggenoten dronken onderweg champagne, terwijl renners met camera’s foto’s maakten en met elkaar praatten. In Parijs verdween de wapenstilstand.
Een kopgroep van tien renners nam meer dan veertig seconden, maar werd voor de laatste van acht lokale ronden ingelopen. Daarna draaide alles om positie. Boonen verloor even het wiel dat hij zocht, koos een nieuw spoor en remonteerde Hondo in de laatste rechte lijn. De beelden van de sprint tonen hoeveel plaatsen hij in enkele honderden meters moest goedmaken.
België wint de eerste Parijse finale
De Champs-Élysées was toen al bijna dertig jaar het vaste decor van de Tourafsluiting. In 1975 verhuisde de finish van de Vélodrome de Vincennes naar de brede Parijse avenue. Walter Godefroot, de Belgische klassiekerrenner en sprinter, won meteen de eerste editie.
Daarmee begon een opvallende Belgische reeks. Pol Verschuere volgde in 1980, Freddy Maertens in 1981, Eric Vanderaerden in 1984 en Rudy Matthijs in 1985. Museeuw won in 1990. Boonen zette die lijn in 2004 voort, waarna Gert Steegmans vier jaar later opnieuw de snelste was.
Die successen passen bij het karakter van de traditionele slotrit. Na de rustige aanloop volgt een korte wedstrijd op een snel, technisch en deels bekasseid circuit. Een vroege vlucht krijgt zelden voldoende ruimte. Positionering, koershardheid en sprintvermogen wegen daardoor zwaar, eigenschappen die vaak samenkomen bij Belgische klassiekerrenners.
Boonen was daarvan het duidelijkste voorbeeld. Een jaar na Parijs won hij de Ronde van Vlaanderen, Parijs–Roubaix en het wereldkampioenschap op de weg. Uiteindelijk verzamelde hij vier kasseien van Roubaix, drie zeges in de Ronde en zes Touretappes. De zege van 2004 was geen eindpunt, maar wel de eerste grote aankomst waarop zijn sprint en klassiekersinstinct tegelijk zichtbaar werden.
Meeus en Van Aert verlengen de reeks
Na Steegmans bleef een nieuwe Belgische zege dertien jaar uit. In 2021 brak Wout van Aert, de veelzijdige kopman van Team Jumbo-Visma, die stilte. Hij won de massasprint na voorbereidend werk van Mike Teunissen en sloot zijn Tour af met drie ritzeges, behaald in een bergrit, een tijdrit en Parijs.
In 2023 kwam de verrassing van Jordi Meeus, toen 25 jaar en bezig aan zijn eerste Tour. Vanuit achtste positie vond hij ruimte in een rommelige sprint. Pas na bestudering van de fotofinish stond vast dat hij Mads Pedersen, Dylan Groenewegen en Jasper Philipsen had geklopt.
Van Aert won in 2025 opnieuw, ditmaal na een selectieve finale zonder klassieke massasprint. Door drie passages over Montmartre werd de slotrit selectiever. Op de laatste beklimming reed hij weg uit een groep met onder anderen Tadej Pogačar en bereikte hij solo de Champs-Élysées. Daarmee won een Belg ook de eerste Parijse finale in de nieuwe opzet.
Tussen Godefroot in 1975 en Van Aert in 2025 ligt een halve eeuw aan Belgische zeges. Boonens sprint van 2004 staat precies in het midden van die lijn: het wiel kwijt, een ander wiel gekozen en op tijd vooraan.