Knjiierp, oempf, knjiierp, oempf.

Verdomd, dat is geen hijger op een aanlopend driewielertje. Het is Santiago Botero uit Medellín, van 27 oktober 1972. De buffel van Medellín stoempt eigenhandig de spichtige mystiek van het Colombiaanse wielrennen om zeep. Daarna verdwijnt hij spoorslags. Niet op de vlucht voor een drugskartel in zijn vaderland, maar voor dopingjagers in Europa.

Kijk eens hoe het peloton in 2002 Les Deux Alpes oprijdt.

 

Botero is bepaald niet de enige die zijn binnenblad over het hoofd ziet, die dagen. Met bloed zo dik als appeltjesstroop trappen ze Alpencols aan gort, alsof het verkeersdrempels zijn. Het is bij de Colombiaan nooit bewezen (bij wie wel), maar oordeel zelf: dit exemplaar fladdert de berg niet op zoals Herrera het deed, Parra of Rincon. Deze heeft geen epo meer nodig, maar kruipolie om zijn knieschijven te smeren. Knjiiierp. Botero lijkt push ups op z’n fiets te maken, pompt z’n dijen fantasieloos rond. En het werkt. Op die dag in 2002 krijgen ze hem nooit meer in het vizier. Mario Aerts en Axel Merckx zijn achter zijn brede rug te druk met hun gevecht om beste Belg te worden, de mannen van Once en Armstrong happen naar adem. Een cadeautje is het niet, want deze Colombiaan is geen exoot maar een reeël gevaar. Want hij kan ook tijdrijden. Verslaat Armstrong zelfs tegen de klok, een zeldzaamheid die dagen, wint drie jaar later de wereldtitel tijdrijden. Een Ghanees als kampioen bobsleeën zeg maar.

In alles a-typisch, latino met felblauwe ogen, student economie, wordt verdacht van het lezen van niet-sportkranten tijdens etappekoersen. Van museumbezoek zelfs. Verliest zichzelf in nikserige sport-platitudes voor de camera, dat wel, maar met z’n gegoede komaf kun je dat nog afdoen als iets ongrijpbaars. Misschien was ‘ie met wat méér persoonlijkheid niet zo snel vergeten.

Want daarin lijkt hij wel op die andere Columbianen: ineens foetsie! Nadat zijn naam gelinkt is aan de klantenlijst van dokter Fuentes durven grote ploegen hun vingers niet te branden aan Botero. Zonder omzichtig excuus of hardnekkig ontkennen druipt hij af, terug naar Medellín. Als inmiddels beroemde Colombiaan wilde hij dat liever niet, de jaren ervoor. In Europa zijn het gouden tijden in de hematocriet-handel, thuis heerst een decennium geleden de ontvoeringsindustrie. Maar Santiago verkiest uiteindelijk een nieuw, riskant wielerleven boven Europese dopingjagers. Een keuze voor onzichtbare romantiek: geen Amerikaan of Europeaan krijg je zo gek de Ronde van Colombia te rijden, over bergpassen van ruim 3000 meter, afdalend naar onverdraaglijke hitte in de klamme jungle. Misschien is Tanja Nijmeijer er wel rondemiss.

Misschien ook reed hij er nog een paar jaar brandschoon, bij een ploeg die Orgullo Paisa heet. Compleet met zijn Franse jaren-tachtig grimas en krakende knieschijven. Botero heersend tijdens z’n eigen wielerronde, om de Colombiaanse stiel definitief om zeep te helpen. Je moet erbij geweest zijn om het te geloven. De thuisrijders kregen de kans niet om te gruwen van zijn stijl, zo ver reed Santiago vooruit. Schijnt.

In 2008 krijgt ook de rest van de wereld Botero nog even in beeld, tijdens de Olympische Spelen. En tijdens een ongeloofwaardig soort comeback bij het Amerikaanse Rock Racing, een excentriek rusthuis voor uitgekotste Fuentes-gangers, Hamilton, Gutierrez, Mancebo, aangevuld met Landis.

De buffel leerde toch nog een tandje terugschakelen.

Mark de Bruijn