Foto Stefano Sirotti
Mooi nieuws: 43 procent van de WorldTour-rensters verdient meer dan een ton
Positief nieuws uit het vrouwenwielrennen: In de top van het vrouwenpeloton verdient niemand meer minder €35.000 en verdienen enkele rensters bijna een half miljoen. Bij de continentale ploegen fietst helaas nog driekwart zonder salaris. Dat blijkt uit een jaarlijkse enquete onder profrensters.
Achttien van de tweeënveertig. Zoveel rensters uit de Women’s WorldTour melden in de jaarlijkse enquête van The Cyclists’ Alliance (TCA) een jaarsalaris van boven €100.000. Dat is 43 procent, tegenover zo’n 27 procent een jaar eerder en dat is natuurlijk goed nieuws. Maar de kloof tussen de top en de rest van het professionele vrouwenwielrennen blijft enorm. Terwijl de best betaalde rensters inmiddels bedragen rond een miljoen euro kunnen verdienen, ontvangt 75 procent van de rensters bij continentale teams helemaal geen salaris van hun ploeg.
Het vrouwenwielrennen heeft de afgelopen jaren echt wel serieuze stappen gezet in de professionalisering. Er zijn minimumsalarissen ingevoerd, de grootste teams beschikken over steeds betere faciliteiten en de commerciële belangstelling groeit. Maar de vooruitgang resulteert nog niet voor iedereen in het vrouwenpeloton voor een zeker bestaan. Vooral op continentaal niveau is het voor veel rensters nog altijd lastig om van hun sport te leven.
Uit de jaarlijkse Rider Survey van The Cyclists’ Alliance, waaraan 127 profrensters uit zes disciplines deelnamen, blijkt dat 33 procent van de ondervraagden geen teamsalaris ontvangt. Bij de rensters van continentale teams loopt dat percentage zelfs op tot 75 procent. De verschillen met de absolute top zijn groot. Voor rensters met een regulier arbeidscontract bij een WorldTeam bedraagt het UCI-minimumsalaris in 2026 38.000 euro per jaar.
Zelf betalen om te kunnen koersen
Het probleem beperkt zich niet tot het ontbreken van een salaris. Veel rensters op continentaal niveau moeten ook een deel van de kosten voor hun sport zelf dragen. Zo geeft 52 procent aan dat de reiskosten niet volledig door hun ploeg worden vergoed. Bij 54 procent zijn medische kosten of fysiotherapie niet volledig gedekt. Ook heeft 33 procent te maken met onbetaalde onkosten.
Daar komt bij dat de contractuele zekerheid beperkt is. Slechts 19 procent van de ondervraagde continentale rensters heeft een contract van minimaal twee jaar. Bij WorldTeams ligt dat percentage op 90 procent. Maar liefst 79 procent van de continentale rensters heeft een contract voor één seizoen.
Die onzekerheid heeft gevolgen voor de carrièreplanning. Van de continentale rensters noemt 73 procent financiële instabiliteit of een ontoereikend salaris als reden om te overwegen eerder te stoppen met wielrennen dan oorspronkelijk gepland.
Minimumsalaris bereikt nog lang niet iedereen
De UCI voerde in 2020 voor het eerst minimumsalarissen in voor vrouwelijke profrensters. Aanvankelijk golden die alleen voor WorldTeams. Sinds de introductie van de ProTeams in 2025 vallen ook rensters op dat niveau onder de salarisregels. Voor de continentale teams geldt echter geen verplicht minimumsalaris. Volgens TCA rijden wereldwijd 468 rensters bij UCI Women’s Continental Teams, zonder dat voor hen een UCI-minimumloon van toepassing is.
De belangenorganisatie pleit daarom voor strengere minimumvoorwaarden, ook voor rensters buiten de twee hoogste teamcategorieën. Daarbij gaat het niet uitsluitend om salaris, maar ook om vergoeding van essentiële kosten, materiaal, verzekeringen en medische ondersteuning. TCA wil bovendien dat de UCI controleert of teams daadwerkelijk aan hun contractuele verplichtingen kunnen voldoen.
Geen bewijs dat salarissen zijn gedaald
Het rapport laat zien dat het aandeel rensters zonder teamsalaris is gestegen van 17 procent in 2025 naar 33 procent in 2026. Volgens TCA kan daaruit echter niet worden geconcludeerd dat de salarissen in het vrouwenpeloton daadwerkelijk zijn gedaald. De samenstelling van de steekproef veranderde namelijk aanzienlijk: continentale rensters vormden dit jaar 41 procent van de respondenten, tegenover slechts 11 procent in 2025.
De cijfers maken vooral duidelijk hoe groot de verschillen tussen de teamniveaus nog altijd zijn. Terwijl de top van het vrouwenwielrennen steeds professioneler wordt, moeten veel rensters daaronder hun carrière nog altijd grotendeels zelf financieren.
Dat is volgens TCA een van de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst van de sport. Een duurzame professionele wielersport vraagt immers niet alleen om goed betaalde sterren, maar ook om een brede basis waarop rensters zich kunnen ontwikkelen zonder dat ze geld moeten meebrengen om hun beroep uit te oefenen.
Hoofdredacteur Het is Koers