Foto Fedde Benedictus

Wielercultuur

Asfalt, Luik Bastenaken Luik en klinkerkryptonite

 

Douwe Bonnema hield van asfalt. Douwe was een hardfietser pur sang. Hij fietste al vanaf zijn prille jeugd en toen hij na jarenlange smeekbedes eindelijk op zijn achtste verjaardag van zijn ouders een racefiets kreeg was de geest uit de fles, vanaf dat moment leefde Douwe op de fiets.

door Fedde Benedictus

Douwe ging vanaf zijn negende bij de plaatselijke wielervereniging van Sneek rijden. Zijn clubgenoten fietsten om verschillende redenen. Sommige wilden beroemd worden, anderen hielden van de snelheid op de fiets en nog weer anderen hielden van de prachtige natuur waar je doorheen fietste tijdens de ellenlange trainingen door eindeloze polders die de weg plaveiden voor een kans op eeuwige fietsroem. Douwe had niets van dit alles, bij hem ging het om het asfalt. Tijdens zinderende zomerdagen als je de lucht zag trillen boven het asfalt, genoot hij van de lichte geur van pek die uit de poriën van het wegdek opsteeg. Ook hield hij van de grip die je had in de herfst en de winter als de wegen nat waren en het mooie zwarte asfalt ervoor zorgde dat je contact met de weg hield. Kortom hij hield van deze eindeloze stroken zwart die met een zacht zoemend geluid onder zijn wielen weggleden. Dit in tegenstelling tot de door hem gehate klinkers, waarop je, vooral als het nat was, het idee had dat elk moment je fiets onder je weg kon schuiven. Klinkers waren Douwes kryptonite. Zodra hij vanaf de zoemende buitenwegen de klinkers van een dorpsstraat op suisde, vloeide de kracht uit zijn benen weg. Hij voelde zich daar net zoals de kar die ratelt op de keien uit het dorp van Wim Sonneveld. Elke individuele klinker plakte aan zijn banden vast en zijn elegante en zelfs enigszins flamboyante manier van fietsen verviel tot het onaantrekkelijke beeld van een voortploegende, stoempende en stampende harker.

 

Maar van asfalt ging Douwe dus harder rijden en van mooi asfalt ging hij zelfs astronomisch hard rijden. Hoe mooier het asfalt hoe harder hij ging. Anders dan bij zijn clubgenoten die op asfalt ook harder konden dan op klinkers, ging het bij Douwe exponentieel. Als er een sprintje over mooi asfalt moest worden getrokken richting de denkbeeldige finishlijn van een opdoemend plaatsnaambordje dan reed hij iedereen naar huis. Niet alleen uit het wiel, nee, op een sprint van 250 meter pakt hij makkelijk 50 meter op de rest.

Klinkerkryptonite

Douwe woonde in Nij Beets, een klein dorpje vlakbij Drachten, maar omdat de wielerbaan in Drachten een lange klinkerstrook had, had hij zich aangemeld bij Sneek. Sneek had namelijk in zijn ogen de mooiste wielerbaan, volledig geasfalteerd met een wegdek in een uitstekende conditie. Gedurende de jaren reed hij zijn wedstrijdjes dan ook voornamelijk op de baan in Sneek. Heel af en toe maakte hij een uitstapje naar Leeuwarden, waar ze over een bijna volledig geasfalteerde baan beschikten, maar als een wedstrijd in Drachten plaatsvond dan ging hij niet. En deze keuze legde hem geen windeieren. In zijn jeugd won hij elke wedstrijd, vaak met meer dan een straatlengte voorsprong en als zestienjarige junior was er niemand meer in Friesland en wijde omstreken die hem van een overwinning kon afhouden. Kortom: Douwe was het talent van het noorden.

Vooraan

Ook in de juniorenklassiekers liet hij van zich horen. Deze koos hij zeer zorgvuldig uit, van te voren deed hij minutieus onderzoek naar het parcours, Google Maps was zijn grootste vriend. Als tiener liet hij de kasseienklassiekers in Drenthe links liggen, maar de veelal volledig geasfalteerde wedstrijden in de Flevopolder en Noord Holland won hij alsof het trainingswedstrijdjes waren. Het duurde daarna niet lang tot dat Douwe werd gescout door het districtsteam van het Noorden. Een hele eer, maar hij moest natuurlijk wel zijn beperking uitleggen om ook voor dit team succesvol te kunnen zijn. In gesprek met de ploegleider van het juniorenteam legde Douwe zijn dilemma uit en samen bekeken ze welke wedstrijden wel of niet geschikt voor hem zouden zijn. Parijs Roubaix voor junioren was dat in geen duizend jaar. “Kasseien,” dacht Douwe laatdunkend, wie dat ooit had bedacht zou op pek en veren moeten worden weggedragen. En als ze dan toch met die materialen bezig waren mochten ze wat Douwe betreft de kasseien ook wel even egaliseren, een mooi laagje asfalt erover, daar zou de Hel van het Noorden een stuk beter van worden. Waar hij wel aan mee zou willen doen was Luik Bastenaken Luik voor junioren. Een klinkende naam, alhoewel dit bij de junioren slechts een enkele reis was, vanuit Bastenaken met de meet op de top van de Redoute zo’n 30 kilometer voor het centrum van Luik. Douwe deed het nodige onderzoek op Google Maps en vond dat het parcours van de enkele reis Bastenaken Redoute er goed genoeg uitzag. Daarbij verzekerde de ploegleider hem dat er geen noemenswaardige kasseien in het parcours zaten en slechts hier en daar een klinkertje, maar toch hoofdzakelijk asfalt.

Richting België

Samen met het team zakte Douwe dat voorjaar af richting België en op de dag van de koers stapte hij vol goede moed op de fiets. Al snel kwam het peloton in beweging en zoals gewoonlijk op asfalt zat Douwe bij de eerste vijf in de kop van het peloton. Blindelings vertrouwend op zijn geliefde asfalt reed hij vol zelfvertrouwen naar de kop van de wedstrijd, maar zonder dat hij het zag aankomen stuiterde hij opeens tien plaatsen terug. Hij keek verschrikt onder zijn elleboog door en zag een gapend gat in het wegdek waar hij net overheen geklapt was. Verschrikt keek hij voor zich en zag nog veel meer gaten, hij slalomde nog vol goede moed tussen de eerste tien door, maar toen zonk de moed hem in de schoenen. Langzaam zakte hij als een plumpudding door het peloton om in de achterste regionen te belanden. Daar waar de renners wat meer uit elkaar reden en het asfalt nog zichtbaarder werd, stapte hij na tien kilometer huilend van de fiets. Hij had medelijden met de erbarmelijke staat van het wegdek, hoe konden mensen zo omgaan met zijn geliefde asfalt, hier wenste hij part noch deel aan te hebben. Zijn verdriet sloeg om in boosheid en hij besloot dat hij niet nog langer onderdeel van deze mishandeling van het gehavende wegdek wilde zijn. Hij zette zijn fiets in de berm, nam vervolgens plaats achterin de ploegleiderswagen en zei geëmotioneerd maar beslist: “Dit is niet oké, ik wil naar huis.” Eenmaal terug in zijn goed geasfalteerde Friesland besloot hij dat hij nooit meer naar België zou gaan, laat staan naar verder weg gelegen oorden. Voortaan zou hij zijn leven doorbrengen op keurige wegen. Douwe hield woord en reed vanaf die dag alleen nog maar wedstrijdjes op de baan in Sneek waar hij tot in de lengte der jaren alles zou winnen. En in plaats van profwielrenner te worden, rondde hij zijn opleiding af, kreeg de baan waar hij altijd van had gedroomd en zorgde als machinist asfaltwals dat de stroken waar hij het liefst over fietste in optimale conditie bleven.

Lees ook van HetisKoers!

Asfalt, Luik Bastenaken Luik en klinkerkryptonite

Wielercultuur

Tour de France Femmes 2027: Londen krijgt eerste ploegentijdrit, Winnats Pass maakt Grand Départ interessant

Koers!