Column: Tour de France – winnen door doping
Altijd als er onmenselijke prestaties worden gepresteerd komt de geruchtenmachine onvermijdelijk op gang en waart het dopingspook weer rond door het peloton. Eerst vinden we die onmenselijke prestaties mooi, maar als deze te lang duren komen de twijfels. Kan dit eigenlijk wel. Renners die op eenzame hoogte staan, worden automatisch verdacht en helaas, soms niet ten onrechte. Als renners uitzonderlijk presteren zoals Merckx, Hinault, Armstrong of Pogaçar en ze doen dit gedurende een lange periode worden er nu eenmaal vragen gesteld. Soms terecht, soms onterecht, maar helaas is die kennis meestal pas veel later beschikbaar.
Jelle Jansma was in potentie zo’n renner, een veelwinnaar met de capaciteiten om grootse prestaties te leveren en mits juist gedoseerd, dit lang vol te houden. Hij was een zeer complete renner met maar één zwakte: zijn onzekerheid. Daardoor was hij soms niet de killer in de finale van een wedstrijd en waren er in de grote rondes altijd enkele dagen waarop hij zijn status niet kon waarmaken, waarmee hij zijn kansen op de eindzege verprutste.
Jelle was als nuchtere Fries sterk gekant tegen doping, in zijn jeugd gebruikte hij wel eens paar paracetamol om door de ergste pijntjes heen te kunnen trappen, maar hij wist dat de scheidslijn tussen een onschuldig pilletje en een prestatiebevorderend spuitje dun was. Dus verder dan de pijnstillers van de plaatselijk drogist ging hij niet.
Na weer een jaar waarin Jelle de nodige zeges in mooie wedstrijden had geboekt, maar wederom geen grote ronde naar zijn hand had kunnen zetten, evalueerde hij het seizoen met zijn Italiaanse ploegleider Mario Dopato. Mario die in zijn tijd een niet onverdienstelijke wielrenner was geweest had niet een onbesproken verleden en een enigszins bezoedeld blazoen. Er waren diverse uitslagen uit zijn palmares geschrapt doordat zijn bloedwaarden achteraf niet in orde bleken te zijn. Maar ondanks dat hadden de mannen een diepe vertrouwensband. Mario respecteerde Jelles standpunt ten opzichte van doping en Jelle wist dat ondanks zijn verleden Mario een meer dan uitstekende ploegleider was.
Mario vertelde dat hij van de ploegarts Arjan Dokters een nieuw middel had gekregen. Ze noemden het Quarto D. Volgens Mario was het een voedingssupplement, het was onschuldig en had ontraceerbare ingrediënten die niet op de UCI lijst met verboden middelen stonden. Het was een mix van nieuwe snelle suikers die uit het regenwoud kwamen. Volgens Mario scheen het enorm prestatiebevorderend te zijn. Arjan wist nog niet precies hoe het kon, maar hij beweerde dat hij in zijn hele carrière als sportarts nog nooit zulke snelle suikerverbindingen had gezien. Het was betoogde Mario, volkomen legaal, omdat niemand er nog van had gehoord. Maar de stoffen die erin zaten, waren suikers die vier keer zo effectief door het lichaam werden opgenomen als gewone suikers, daarom hadden ze het Quarto D genoemd.
Jelle wist niet veel van Italiaans of van doping, maar suikers leken hem een veilige keuze. Zijn hele sportleven was er op het belang van suikers gehamerd, dat je ze nodig had en dat je ze op tijd moest nemen zodat je lichaam het kon verwerken. Suikers die vier keer zo snel door je lichaam werden opgenomen klonken hem als muziek in de oren en onschuldig genoeg om buiten zijn dopingvoorbehoud te vallen.
Jelle vertelde Mario dat hij Quarto D wilde uitproberen en ze spraken af om het een maand voorafgaand aan en tijdens de tour te gebruiken. Er was één voorwaarde stelde Mario. Omdat het een middel was dat nog niet ontdekt was en alleen Arjan ervan afwist, was het belangrijk dat ze een omerta zouden afspreken, niemand zou erover mogen praten, ook niet onderling. Als je het Arjan vraagt, waarschuwde Mario, dan zal hij het ontkennen, maar ook niet meer verstrekken, dus dit moet puur tussen jou en mij blijven, capice? Jelle vond het wel wat zwaar aangezet door Mario, het ging per slotte om wat suiker, maar knikte instemmend.
Zoals afgesproken begonnen ze een maand voor de tour met Quarto D. De voorbereiding ging volgens plan, met de positieve kanttekening dat Jelle zich per dag sterker voelde. Na een maand voorbereiding startte Jelle vol zelfvertrouwen aan de tour, waarin hij vanaf dag één als een dolle vooruit ging. Tijdens de proloog werd hij nog tweede, maar toen in het eerste weekend de bergen zich aandienden, nam hij een optie op de eindzege met een machtige solo en overwinning en die optie gaf hij niet meer af.
Hoewel het fantastisch ging en hij sterker was dan ooit, begon er iets te knagen. ’s Avonds als hij in bed lag en zijn kamergenoot weer enthousiast verhaalde over Jelles geweldige prestaties die dag, voelde hij dat het niet klopte. Het leek allemaal niet echt, niet van hem en dat gevoel bleef maar groeien. Elke ochtend haalde hij braaf zijn vierkante tabletje bij Mario, maar terwijl hij het innam voelde het als het eten van een hostie na een doodzonde terwijl Jezus hoofdschuddend op hem neer keek.
Zo naderden ze Parijs en naarmate de Champs-Élysées en de Arc De Triomphe dichterbij kwamen werd zijn schuldgevoel groter en knagender, tot hij het niet meer volhield. De avond voor zijn overwinning in Parijs overlegde Jelle zijn bedenkingen met Mario.
‘Mario, ik heb wroeging. Ik heb er lang over nagedacht, zo wil ik de tour niet winnen, morgen in Parijs zal ik alles opbiechten,’ luchtte Jelle zijn hart.
‘Oké, dan zal ik open kaart met je spelen, zodat je weet wat je morgen de pers moet vertellen,’ zuchtte Mario, hij was even stil en keek Jelle veelbetekenend aan en zei: ‘Je kreeg elke dag een kwartje van een Dextro Energy tablet van mij, un quarto dextro.’
‘Wat?’ zei Jelle vol verbazing. ‘Maar, maar, maar dat kan toch niet, ik heb nog nooit zo goed gereden. Quarto D was mijn brandstof deze tour.’
‘Je kreeg mentale doping van mij, dat was het zetje zekerheid dat je nog nodig had. De laatste procentjes zaten al wel in je lichaam, maar nog niet tussen je oren,’ glimlachte Mario.
‘Dat meen je niet!’
‘Dat meen ik wel. En, oh ja, zeg maar niets tegen Arjan die heeft nog nooit van Quarto D gehoord,’ knipoogde Mario naar zijn pupil.
De volgende ochtend reed Jelle vol zelfvertrouwen naar Parijs om zijn eerlijk verdiende finale gele trui in ontvangst te nemen. Na afloop deed hij nog een laatste plasje dat volledig schoon bleek te zijn.
Losjes gebaseerd op de eerste trip met mijn toen veertien jarige zoon, Luc, naar de Alpen. Na een week klimmen, was de energie wel wat op en op onze finaleklim naar de Galibier moest ik hem elke bocht door lokken met het vooruitzicht op een Dextro in de volgende. Met succes want uiteindelijk stonden we op de top van het dak van onze Tour. Tegenwoordig zijn de rollen omgekeerd. Toen we twee maanden geleden wederom in de Alpen waren was ditmaal ons laatste wapenfeit de Annecy Semnoz, toen hij halverwege de klim even naar beneden reed om te polsen of ik het nog wel leuk vond, was mijn antwoord: ‘Heel leuk en nou opsodemieteren!’
