Foto Koen Suyk, Anefo. Het nationaal Archief

Fietsinspiratie

Column: Tour de France – abandon maillot jaune

De één vindt het een verschrikking, de ander het mooiste dat er is: de ploegentijdrit. De combinatie van de race tegen de klok en de ultieme ploegsamenwerking. Je kunt je niet verstoppen, als het op is is het op en als je er afwaait ben je weg en kom je nooit meer terug. Sommigen in het peloton kijken met angst en beven naar de dag dat deze discipline in het routeboek staat en sommigen hebben die dag omcirkeld en kijken er naar uit.

Als Oebele Oostra zou kunnen kiezen, dan was hij de renner geweest die deze dag met rood had omcirkeld en waarschijnlijk had hij onder de cirkel ook nog eens drie dikke strepen gezet en drie uitroeptekens ernaast. Oebele was een fenomenale rijder tegen de klok. Of het terrein nou vlak of enigszins geaccidenteerd was, dat maakte hem niet uit en of er een mild zomerbriesje waaide of een stevige windkracht zes stond, ook dat was hem om het even. Als het tegen de klok moest, dan was Oebele van de buitencategorie. Alleen in een klimtijdrit kwam hij niet uit de verf, hij had te veel spiermassa voor het echte opgaande werk.

Helaas kon Oebele niet kiezen, want Oebele had een enorm zware motor, maar eentje zonder inhoud. Zowel conditioneel als mentaal hield het bij Oebele na zo’n 50 kilometer op. Dat had met meerdere zaken te maken. Een daarvan was dat Oebele stiekem rookte, nou ja stiekem, in het peloton werd hij al jaren Oebele Rookstra genoemd, dus ergens was het nieuws van zijn verslaving toch naar buiten gesijpeld. Daarnaast vond Oebele het na een uurtje fietsen ook wel mooi geweest. Als er een criterium was dan reed hij de eerste rondjes mee en niet alleen mee, hij reed altijd in de voorste geleden en won elke bonussprint. Als hij vervolgens vond dat hij zijn gage voor die dag had verdiend, liet hij zich uitzakken en meldde zich bij de eerstvolgende passage van de jurywagen af. De rest van de wedstrijd bekeek hij dan vanaf een terrasje met een biertje en, een beetje in het geniep, een peukje.

Tijdrijden, dat nooit boven de uurgrens uitkwam, was hem op het lijf geschreven. Afhankelijk van de afstand reed hij zichzelf een half uur tot drie kwartier helemaal leeg. Op die manier was hij al sinds de nieuwelingen Nederlands kampioen op dit onderdeel. Ook bij de junioren en de beloften was er niemand die bij hem in de buurt kwam. Maar omdat zijn kaars na een uur doofde, lag er nergens een profcontract op hem te wachten. Een eendagskoers was niet aan hem besteed, laat staan een meerdaagse. Voor ploegen was Oebele niet interessant.

Tot het moment dat hij, totaal onverwacht, van de kleine Franse Brioches La Boulangère-ploeg in het voorjaar een aanbieding kreeg. Brioches La Boulangère had dat jaar een wildcard voor de tour gekregen. Een van de ploegleiders daar, een Nederlander, die Oebele al een tijdje volgde, had een briljante inval gehad. Hij legde het Oebele voor: wat als hij de trein van de ploegentijdrit zou aantrekken. Eigenlijk zou Oebele de locomotief zijn, want waarschijnlijk zou het voor de rest van de ploeg al lastig genoeg worden om in zijn wiel aan te haken. De ploegentijdrit was de openingsrit van de Tour en als vier van zijn ploeggenoten Oebele zouden weten te volgen, was er een serieuze kans dat ze niet alleen een rit konden winnen, maar zelfs de gele trui zouden kunnen veroveren. Een ongekende prestatie voor een kleine ploeg. Oebele die wel van een geintje hield en het helemaal geen gek idee vond, stemde toe. De kans om de Tour te rijden en wellicht zelfs geel te veroveren klonk hem als muziek in de oren.

Op de dag van de proloog startten ze, omdat ze één van de laagst genoteerde ploegen van het veld waren, als tweede voor hun race tegen de klok. Vanuit de startblokken zette Oebele zich op kop en begon aan de tijdrit van zijn leven. Hij zou drieënveertig kilometer volle bak moeten gaan en dan hopen dat dat genoeg was om al wat na hen nog zou komen voor te blijven. Oebele reed als een raket, ze startten met negen renners, maar na twintig kilometer waren er al drie gelost. Er moesten vijf over de finish komen en dus mochten ze er nog maar één verspelen. Met de kans op materiaalpech was de marge, voor de helft van de wedstrijd al minimaal. Oebele kreeg in zijn oortje nieuwe stalorders door en vertraagde zijn tempo iets, maar hield het dusdanig hoog dat na dertig kilometer de vierde renner zijn wagonnetje moest afhaken. Zo denderden ze door naar de finish, waar Oebele schijnbaar op zijn gemak de finishstraat binnenreed. Met in zijn kielzog vier Fransen die op hun tandvlees, meer dood dan levend, zich in zijn wiel voort sleurden. Omdat Oebele er nog een finalesprintje uit perste ging hij als eerste over de meet. Voor de rest was dat de genadeklap, zodat de overige wagonnetjes op een respectabele afstand van zo’n tien meter over de finish gleden.

Eén voor één beten de overige ploegen zich stuk op de tijd van Brioches La Boulangère en toen als laatste het grote US Postal op een respectabele afstand van 23 seconden binnen denderde, was het iedereen duidelijk: Brioches La Boulangère had als kleine Franse ploeg het onmogelijke gedaan en de etappe gewonnen. Oebele mocht, als eerste finisher, namens de ploeg de gele trui in ontvangst nemen. Na de ceremonie was er champagne in het hotel. Oebele, in een overwinningsroes, was niet terughoudend en toastte met wie dat maar wilde. ’s Avonds schoof hij aan bij een nieuw programma op de tv, de avondetappe. In de hotseat naast Mart Smeets vertelde Oebele over zijn overwinning en dronk en passant ook nog twee glazen rode wijn. Toen hij rond middernacht zijn hotelkamer opzocht, rookte hij op de badkamer nog een overwinningssigaretje, waarna hij als een blok in slaap viel.

De volgende ochtend aan de start was Oebele enigszins troebel in zijn hoofd. Hij probeerde als drager van de gele trui nog te lachen richting de toegestroomde pers, maar dat was meer als een boer met kiespijn. De etappe vertrok, Oebele mocht vooraan vertrekken, maar zodra het circus op weg was, zakte Oebele genadeloos, als een plumpudding, richting de onderste krochten van het peloton. Daar aangekomen jojode Oebele nog een tijdje op en neer. Maar toen het enige klimmetje van de vierde categorie, maar liefst een kilometer tegen 3,5 procent zich aandiende, knapte Oebeles elastiekje en moest hij als enige lossen. Zijn ploegleidersauto die dankzij zijn gele trui vooraan reed, draaide het raampje open en vroeg ‘ça va?’, Oebele knikte opzij en de auto reed door. Zo zakte hij, slechts vergezeld door een cameramotor, het was natuurlijk wel de gele trui die daar reed, langzaam door de stoet volgauto’s. Toen de laatste voorbij was en Oebele een grote eik aan de kant van de weg zag, stapte hij af. Hij maakte een keeldoorsnijdendgebaar naar de camera om aan te geven dat het over en uit was en zette zijn fiets aan de kant: abandon maillot jaune. De cameramotor gaf gas en reed weer richting het circus, waar later op de dag 179 renners zouden finishen, alleen de gele trui ontbrak. Die zat tevreden in de schaduw onder de grote eik en stak een sigaretje op.

Geschreven met warme gedachten aan mijn oud collega Dick Schaafsma (1961-2023), een rokende renner die ongenadig hard kon rijden en een creatieve duizendpoot waar het teksten betrof, vooral als het over wielrennen ging.

Foto Koen Suyk, Anefo. Het nationaal Archief

Bekijk ook van Fedde Benedictus

Column: Tour de France – abandon maillot jaune

Fietsinspiratie

Column: Dauphiné – de top van de voorlaatste klim

Fietsinspiratie