Achtergrond: Ik fiets alleen maar rondjes
Hugo Hegeman schreef een stuk over de (on)zin van fietsen. Over waarom het (voor hem) de laatste nutteloze strohalm is in een wereld waarin alles draait om zelfoptimalisatie en zelfs hobby’s nuttig moeten zijn. En het maakt het hoofd leeg. Niet geheel onbelangrijk.
Vrijdagochtend. Tien voor half tien. Ik sta halfnaakt in onze breed uitlopende gang de laatste restjes van een kaneelbroodje naar binnen te proppen. Als dat uiteindelijk is gelukt, trek ik de rest van mijn veel te strakke lycra fietspakje aan.
Op mijn bovenbeen staat: Alpe d’Huez 2024. Met een weemoedige glimlach kijk ik via de spiegel naar die letters. Heel even ben ik weer terug op die berg. Maar voordat ik goed en wel kan wegdromen, trekt de klok me terug naar het heden.
Acht voor half tien. Om op tijd bij mijn fietsdate met C. te zijn, bij de toegangspoort van de Utrechtse Heuvelrug, had ik eigenlijk twee minuten geleden al moeten vertrekken.
Elke keer voordat ik ga fietsen vraag ik me af waarom ik dat ook alweer een goed idee vond. Eerst het fietspakje aantrekken. Dat strakker zit dan ik me herinnerde. Daarna de Cycling for Climate-sokken over mijn voeten trekken. De uit elkaar vallende schoenen dichtklikken. Helm op. Bril mee. Bidons vullen. Nog even de bandenspanning checken. En dan valt mijn blik op de ketting.
Verdomme.
Die had ik na de vorige regenrit schoon moeten maken. Er zit nog een zwart laagje smeer en zand op. Heel even overweeg ik alsnog een doek te pakken, maar ik moet nu echt de deur uit.
De eerste paar kilometer ben ik vooral bezig met kleine irritaties. Mijn helm zit nét niet lekker. De vetvlekken op mijn fietsbril belemmeren het uitzicht. De wind waait harder dan ik liefheb in mijn gezicht. Mijn benen voelen zwaar. Mijn hartslag is al hoog van überhaupt op de fiets geraken.
Eigenlijk is fietsen best een omslachtige hobby.
En toch gebeurt er, vlak nadat ik de stad ben uitgefietst, wat er altijd gebeurt.
Zonder dat ik precies weet wanneer verdwijnen de irritaties. Ik trap. Schakel een keer op. Duik onder een tunneltje door. Zet even aan om extra snelheid mee te nemen. Kom dansend op de pedalen weer boven. Ondertussen kijk ik naar de lucht. Vandaag vooral cirruswolken. Op een andere dag misschien stapelwolken. Een groepje wielrenners passeert me en bijna gedachteloos gaan vier vingers van mijn linkerhand even van het stuur.
Ik ben onderweg.
Het afgelopen jaar las ik twee boeken waarin zinloos fietsen centraal staat. Het eerste is van Ilja Leonard Pfeijffer: De filosofie van de heuvel. Pfeijffer en zijn toenmalige vriendin Geyla besluiten op zomaar een zondag naar Rome te fietsen. Op een gele mountainbike en een ouderwetse, krakkemikkige racefiets. Onderweg scherpt hij bij iedere iets oplopende weg zijn ‘filosofie van de heuvel’ aan, die zich uiteindelijk misschien het best laat samenvatten door het levensmotto van Geyla: prosta tak – alles wat belangrijk is, gebeurt gewoon. Een quote die bleef hangen:
Wat volgens plan gaat, voelt als een saaie herhaling van het plan dat je eerder in je hoofd hebt afgespeeld. En wat níét volgens plan gaat, ervaar je als een hinderlijk obstakel voor het verwezenlijken van dat plan. Zo is het nooit goed. Zo heb je nooit plezier, omdat je alleen maar bezig bent met de toekomst. En de meeste mensen leven zo, dat weet ik. Ons hele westerse systeem van productiviteit, competitie en targets is ingericht op planning en het realiseren daarvan.
Een vergelijkbaar fietsverslag schreef Frank Heinen vorig jaar in Reizen is onzin. Hij en zijn vriendin – die hij om onduidelijke redenen steevast dr. Pompsky blijft noemen – fietsen om niet aan te komen. Door de troosteloosheid van Noord-Frankrijk. Of over de Alpen naar Italië. Heinen schrijft prachtig over wat ze onderweg tegenkomen: fossielen op racefietsen, droevige wegrestaurants, kartonnen pizza, maaltijdsalades aan een Italiaans meer. Allemaal onzinnig onderdeel van de fietstocht.
En ik herken dat.
Inmiddels heb ik duizenden kilometers op een racefiets afgelegd. Vaak zonder doel. Rond het IJsselmeer. Door het Limburgse heuvelland. Over de Waddeneilanden. Door Zeeland. De Eifel. De Vogezen. De Alpen. Naar weekendjes weg in Brabant. Langs eindeloze Groningse weilanden waar het landschap vooral bestaat uit leegte. Wind mee op de dijk. Wind tegen door de polder. Stortregen, hittegolven, miezer en sluierbewolking.
Op papier lijken mijn ritten verdacht veel op elkaar. Dezelfde fiets. Dezelfde benen. Vaak zelfs dezelfde wegen. Toch kan ik me nauwelijks twee identieke rondjes herinneren.
Er is slechts één constante: trappen, trappen, trappen.
En inderdaad: het is tamelijk onzinnig. Ik trek een strak pakje aan om urenlang energie te verbranden en uiteindelijk weer precies te eindigen waar ik begon. Om diezelfde energie er ’s avonds met een bord pasta of een frietje net zo hard weer aan te vreten. Ik fiets in rondjes. Vaak letterlijk.
Precies waarom ik zo graag fiets.
Bijna alles in het dagelijks leven staat in dienst van iets anders. In dienst van groei. Werken voor salaris. Studeren voor een diploma. Sporten voor een beter lijf (daarvoor moet je zeker niet gaan wielrennen; ik heb zelden zoveel sprinkhanen bij elkaar gezien). Vakantie om weer uitgerust aan het werk te kunnen. Zelfs vrije tijd krijgt steeds vaker een doel.
Fietsen valt voor mij daarbuiten.
Dus vrijdag fiets ik weer een rondje.
Want elk rondje is anders.