Wielercultuur

De jarige Beat Zberg (1971)

Een kampioenstrui wil voor een renner, die op het punt staat zijn fiets aan de wilgen te hangen, nog wel eens een excuus zijn om er toch maar een jaartje aan vast te plakken. Je wilt het immers niet op je geweten hebben dat het nationale tenue van jouw land een half seizoen ontbreekt in het peloton. Laat staan dat er nergens een coureur in de regenboogtrui aan de start staat, omdat de regerend wereldkampioen al van zijn welverdiende wielerpensioen geniet. Het is een serieuze gewetenskwestie. Met kans op een knagend schuldgevoel. Die angst heeft menig renner ertoe verleid een jaartje langer op de fiets te blijven. Joop Zoetemelk is het beste voorbeeld. De Nederlander heeft in 1985 onomwonden aangekondigd aan zijn afscheidstournee bezig te zijn. Waar niemand, hijzelf ook niet, rekening mee had gehouden is dat Zoetemelk in het Italiaanse Giavera del Montello naar de wereldtitel rijdt. ‘38 jaar en hij heeft hem!’, kraait Mart Smeets op voor hem atypisch enthousiaste wijze in de NOS-microfoon. De kersverse kampioen kan het niet maken om enkele maanden later te stoppen en de regenboogtrui tot aan de volgende titelstrijd uit het peloton te houden. Hij besluit zijn roemrijke loopbaan te verlengen. Uiteindelijk zal Zoetemelk pas in 1987, twee jaar later dan hij aanvankelijk van plan was, een punt achter zijn rennersloopbaan zetten. Een dergelijk schuldgevoel kent Beat Zberg niet. De Zwitser stopt, precies twintig jaar nadat Zoetemelk afscheid nam, op een hoogtepunt. Als regerend nationaal kampioen. Zberg zorgt er hoogstpersoonlijk voor dat de kenmerkende knalrode trui met het witte kruis rug en borst, geheel conform de vlag van zijn thuisland, de eerste helft van 2008 nergens in koers is te bekennen.

Als op de eerste julizondag van 2007 in Brugg, een kilometer of dertig ten westen van Zürich, de Zwitserse nationale titelstrijd in gang wordt geschoten, weet de oudste van de gebroeders Zberg al dat het zijn laatste kampioenschap zal zijn. Na bijna zeventien seizoenen als beroepsrenner – in september 1991 had hij namens Helvetia zijn debuut gemaakt te midden van ploeggenoten als Gilles Delion, Pascal Richard, Mauro Gianetti en Henri Manders; het lijkt dan intussen al een eeuwigheid geleden – is het goed zo. Desondanks is de renner van Team Gerolsteiner gebrand op succes in eigen land. Een veel-winnaar is Zberg nooit geweest, maar het ontbreken van de nationale titel ziet hij wel degelijk als een pijnlijk hiaat op zijn erelijst. Helemaal omdat zijn drie jaar jongere broer Markus er zeven jaar eerder wel in was geslaagd landskampioen te worden. Er is dus nog een vlekje weg te werken in Brugg. Vandaar dat Zberg al na twee van de in totaal te rijden twaalf omlopen ten strijde trekt. Net als zijn broer, die voor dezelfde Duitse ploeg uitkomt, hoort de routinier tot de voornaamste kanshebbers voor de nationale titel. Andere favorieten zijn Michael Albasini, Martin Elmiger en Fabian Cancellara. Veel langer is het lijstje kanshebbers niet. Of een onbekende outsider moet boven zichzelf uitstijgen en in de 212 kilometer lange wedstrijd als een duveltje uit een doosje naar de hoogste trede van het erepodium fietsen. Dat gebeurt in de praktijk echter niet. Als Zberg, met nog ongeveer tachtig procent van de te rijden afstand voor de wielen, het hazenpad kiest, springen Albasini en Cancellara onmiddellijk mee. Drie mindere goden, David Loosli, Pascal Hungerbühler en Elias Schmäh, haken eveneens aan bij de renner, die van 1998 tot en met 2003 het oranje-witte tenue van de Rabobank-ploeg had gedragen.

Er staat in Brugg geen maat op ‘Zetberg’, zoals Steven Rooks, die in de tweede helft van de jaren ’90 veelvuldig naast Mart Smeets zit in de commentaarcabine van de NOS, hem steevast noemt. In de slotfase schudt de Zwitser zijn landgenoten een voor een af. Cancellara, die ruim een jaar eerder in Parijs-Roubaix zijn eerste grote klassieke zege had binnen gehaald, kan nog het langste volgen. Ook hij moet zich uiteindelijk gewonnen geven tegen de bijna tien jaar oudere nestor van het wielrennen in het land van kaas en uurwerken. Aan de finish bedraagt Zbergs voorsprong op zijn concurrenten dik twee minuten. Het vlekje op zijn palmares is vakkundig weggepoetst. In 1998 was de oudere broer van Markus en Luzia, die in de eerste helft van de jaren ’90 deel uitmaakte van het damespeloton, al wel eens kampioen van zijn land geweest in het tijdrijden, nu is hij de beste in de wegkoers. Een jaar lang mag hij het knalrode tenue dragen met het kenmerkende witte kruis op buik en rug. Alsof ze in Zwitserland hun nationaal kampioen simpelweg in de vlag van het land wikkelen. Zberg weet dat hij die twaalf maanden niet zal vervolmaken. Hij heeft immers al eerder besloten aan het einde van het seizoen zijn fiets aan de wilgen te hangen. De nationale titel verandert daar niets meer aan. Beat Zberg verstaat de kunst van het stoppen op een hoogtepunt als geen ander.

Bekijk ook van HetisKoers!

Pieter Weening, vijftien jaar later: ‘Die roze trui hebben we totaal niet gevierd’

Koersverhalen

De jarige Beat Zberg (1971)

Wielercultuur