Afgelopen zomer was ik in de Pyreneeën. Van Isaac had ik een Element gekregen om me eens even goed mee te vermaken. Het plan was om The Ride te rijden, de epische tocht van Bikegear.cc, maar een knieblessure maakte dat tot een te hoog gegrepen evenement. In plaats daarvan bezocht ik de Pyreneeën, om er tegen drie mythische cols op te rijden. De Tourmalet, de Aubisque en de klim naar Hautacam. In deel 3: Hautacam

Elke ochtend als ik de tent uitloop, zie ik hem voor me. Hautacam. En niet als een visioen, overigens. De berg is letterlijk het eerste wat ik zie als ik ‘s ochtends naar buiten stap. Loerend door een verrekijker, zie ik de weg die richting Ayros-Arbouix loopt. Daar, rechts afbuigend, leidt de weg naar het skistation Hautacam. Dat ik hem tijdens mijn verblijf in de Pyreneeën ga beklimmen, stond al vast toen de eerste haring in de rotsachtige grond werd geslagen. Er is wel een lichte aarzeling, want Hautacam wordt door menig wielerblog net zo vervloekt als hij wordt opgehemeld. Ja, het is er mooi en ja, het is een klim die je eens gedaan moet hebben. Maar het is ook een steile, onregelmatige hufter. Het is hard werken op weg naar Hautacam.

Het heeft sinds diep in de nacht geregend en het bovenste deel van de berg is bedekt door een dik pak wolken. We zitten al sinds negen uur ‘s ochtends te duimendraaien, te wachten tot het weer genoeg opknapt om iets te ondernemen. Het is inmiddels droog als m’n vriendin voorstelt om samen gewoon naar Hautacam te klimmen. Ik schiet direct in de kleren en nog geen uur na het voorstel rollen we richting de voet van de klim.

Gesloten, zegt het bord aan de voet. De weg richting Hautacam is dicht. We zien een plan in het water vallen, maar ach. We zijn er nu toch, laten we kijken hoever we komen. Allebei in ons eigen tempo, waar het ophoudt wachten we op elkaar.

De klim naar Hautacam rinkelt een gek belletje in m’n hoofd. In de geschiedenis van de Tour de France neemt deze klim bepaald geen legendarische plek in, maar het is wel de plek waar twee EPO-kanonnen op de toppen van hun kunnen naar boven zijn gevallen. Bjarne Riis en Lance Armstrong hebben beide op weg naar Hautacam ongenadig huisgehouden en hun concurrentie niet alleen overboord gekieperd, maar gekielhaald en te drogen gehangen. Wat me van beide beklimmingen bijstaat, is de gezichtsuitdrukking van de heren. Ogen diep in de kassen, omhoog kijkend. De mond half open, bovenlip opgetrokken. Twee dopingprogramma’s culmineerden hier in een buitenaards optreden op een klim naar een parkeerterrein op hoogte. Fietsen op zijn lelijkst en zijn mooist.

De klim naar Hautacam is niet de langste van allemaal en het leidt evenmin naar een prachtige pas met ruwe berglandschappen. De top is niet veel meer dan een parkeerterrein. De natuur is er niet uniek. En toch.

Ik ben goed vandaag. Niet zomaar goed, misschien wel beter dan ik ooit ben geweest. Onder de acht procent heb ik constant de drang om het op een sprinten te zetten, zo goed voel ik me. Nu is de klim naar Hautacam regelmatig veel steiler dan acht procent, maar het deert me niet. Dit is hoe het voelt om iets over te hebben. Terwijl ik staand op de pedalen korte stukken van ruim boven de tien procent overbrug, wordt de lucht steeds vochtiger. Net als op de Aubisque een paar dagen eerder, rij ik hier de wolken weer in. Het is wel aanzienlijk kouder dan een paar dagen eerder, maar dat maakt bergop niks uit. Het kan vriezen en ik zal nog altijd warm zijn. De kou gaat pas een probleem worden in de afdaling.

Was ik op de Aubisque al alleen, nu is er echt helemaal niemand op de been. Ik hoor honden blaffen, zie af en toe iemand door z’n eigen achtertuin schuifelen, maar dat is het ook wel. Geen fietsers op de Hautacam vandaag. Behalve ik, en een kilometer of wat achter me, mijn vriendin. Ik vind haar dapper; ze fietst bij lange na niet zoveel als ze zou willen, maar besluit nu wel om even een col van de buitencategorie op te rammen. Boven zal ik op haar wachten en dan dalen we samen. Bovenkomen gaat haar wel lukken, daarvoor zit er veel te veel wilskracht in de kop. Het zal even duren, maar dat geeft niks.

Hij is zwaar, Hautacam. Maar ik stort niet in. Het goede gevoel blijft. Misschien is het de regen, misschien doe ik het gewoon goed in dit soort omstandigheden. Misschien is het de eerdere bergen die al in de benen zitten. Misschien is het een combinatie. Feit is, dat ik nu eens niks aan het vervloeken ben. Nu eens niet schelden op het verticale wegdek, nu eens niet verlangen naar de top, nu eens niet kreunend van ellende de steile stukken overwinnen. Dit is een plezier.

In dichte, dichte mist kom ik boven de boomgrens uit. Het is stervenskoud. Een auto passeert me, op weg naar beneden. Ik zie fietsen achterin liggen. Dus toch, maar de mietjes durven niet af te dalen in dit weer. Wat er ook gebeurt, ik daal zometeen af.

De top komt sneller dan ik zou willen. De hele weg blijkt gewoon open. Ik rij een kort rondje op het desolate terrein, met minder dan twintig meter zicht. Hier is niks en niemand. Een dikke kilometer verderop ligt de top van de Col de Tramassel. Laat ik die ook maar meepakken, dan.

Bovenop de Col de Tramassel staat een klein restaurantje. De eigenaar staat buiten, morrelt aan de deur. ‘Vous etes ouvert?’, knutsel ik een Frans vraagje in elkaar. De goede man wilde eigenlijk net afsluiten, maar wil me best nog een bak koffie inschenken. Binnen is niemand. Er brandt geen licht en in de dichte mist is het een desolate plek. Ik bel mijn vriendin. Ze is op drie kilometer van de top. De uitbater wil best op haar wachten.

Een lange stilte volgt en ik raak bevangen door de kou. Dan gaat de telefoon. De vriendin is bij Hautacam aangekomen, maar weigert een kilometer door te rijden. Ze heeft er genoeg van. De restauranteigenaar knipt twee vuilniszakken kapot, zodat we die kunnen dragen als windjacks. Ik bedank hem uitgebreid, wil hem veel meer geld geven dan de koffie waard is, maar hij weigert. Het is wel goed jong, kom nou maar veilig beneden.

De afdaling is een hel. De Isaac is uitgerust met carbon FFWD-wielen, die prachtig werken in bijna alle omstandigheden, behalve deze. Zeiknatte wegen, rillend van de kou, dalen met meer dan tien procent. Auto’s komen toeterend voorbij; ze zien ons pas op het laatste moment door de mist. Het begint donker te worden en dit is niet verantwoord. Mijn hele lichaam schudt van de kou. Klappertandend en met kramp in mijn handen, manoeuvreer ik mezelf naar beneden. Achter me heeft m’n vriendin een stuk minder moeite. Aluminium velgen. Ik hou haar op, maar ze blijft achter me rijden.

Pas diep, diep in de afdaling begint de kou enigszins af te nemen. Net als dat besef binnendringt, komt een scooter naast me rijden. Het is de eigenaar van het restaurant. Ik stop en schud zijn hand. Merci, merci. Hij lacht. Het is wel goed jong.

Twee dagen later is het 34 graden en besluit ik om een laatste klim te doen. Luz Ardiden. Het blijkt een fout van jewelste. Zo bevangen als ik raakte van de kou in de afzink van Hautacam, zo bevangen raak ik nu van de hitte. Na zes kilometer klimmen kan ik bijna niet meer recht uit mijn ogen kijken. Ik zwalk over de weg, op zoek naar schaduw. Het is nergens. Ik kan niks meer en draai me om. Op het moment dat ik dat doe, kijk ik recht in de ogen van een fietser. Hij kan wel door. Ik wil hem niet aankijken. Opgeven is ellendig.

In de dikke week die ik heb doorgebracht in de Pyreneeën, heb ik amper aan het oppervlak van de oneindige fietsmogelijkheden gekrabd. Het was fantastisch. De mooiste plek waar ik ooit heb mogen fietsen. The Ride moest ik aan me voorbij laten gaan, maar met een paar fenomenale ritten in de Pyreneeën, heb ik de Isaac Element tot het uiterste van mijn eigen mogelijkheden kunnen testen. Het was een voorrecht.

Twitter
Latest posts by Ivo Pakvis (see all)