Foto Unipublic/Cxcling/Toni Baixauli
Spaanse vrouwenkoers: van negen UCI-ploegen naar twee in drie jaar tijd
Terwijl Spanje dit weekend de Vuelta Femenina aftrapt en meer Women’s WorldTour-etappes huisvest dan welk land ook, is het aantal Spaans-geregistreerde UCI-vrouwenteams gekelderd. Op Continental-niveau resteert er niets meer.
De wegen rond de Angliru worden dit weekend opnieuw het decor van de zwaarste Vuelta Femenina tot nu toe, het eerste vrouwelijke Grand Tour-blok van het seizoen. Spanje telt in 2026 liefst 14 Women’s WorldTour-etappes, verdeeld over de Vuelta Femenina, Itzulia Women en Vuelta a Burgos, meer dan Frankrijk, Italië of België. Maar onder dat podium is de binnenlandse basis in drie jaar tijd vrijwel verdwenen. Slechts twee Spaanse UCI-vrouwenteams staan nog geregistreerd: Movistar en Laboral Kutxa-Fundación Euskadi. Op Continental-niveau is het aantal nul.
Die daling raakt vooral jonge Spaanse rensters die willen doorgroeien. Minder ploegen betekent minder internationale startplaatsen, minder wildcards bij de thuiskoersen, minder kansen om koershardheid op te doen buiten clubniveau. In de laatste twee edities van de nationale ronde stonden nog maar acht en negen Spaanse vrouwen aan de start.
Van negen naar nul
In 2023 telde Spanje negen UCI-vrouwenteams, waaronder één WorldTeam (Movistar) en acht Continental-ploegen. Onder die acht bevonden zich namen als Bizkaia-Durango, Massi Tactic, Río Miera-Cantabria Deporte, Sopela en Eneicat-RBH-Global. Dat netwerk bood Spaanse rensters toegang tot UCI-wedstrijden in binnen- en buitenland.
In 2024 hielden nog maar twee Continental-teams stand. Toen Laboral Kutxa-Fundación Euskadi vorig jaar opschoof naar ProTeam-niveau, bleef alleen Eneicat-CMTeam over. Eind 2025 trok de hoofdsponsor van Eneicat zich terug. De ploeg zakte terug naar nationaal clubniveau. ProCyclingUK omschreef de stap als “a step back to gain momentum”, maar het resultaat is onmiskenbaar: geen enkel Spaans Continental-team resteert in 2026.
De prijs van professionalisering
De oorzaak is terug te voeren tot 2022, toen de Royal Spanish Cycling Federation (RFEC) aankondigde dat Continental-vrouwenteams onder het Spaanse minimumloon en de sociale zekerheid zouden vallen. Na protest van teams werd de invoering een jaar uitgesteld, maar op 1 januari 2024 traden de regels alsnog in werking.
De eisen gingen verder dan alleen loon. Teams moesten een kader van acht tot zestien rensters aanhouden, een ploegleider, ondersteunend personeel en een teamarts in dienst hebben, en beschikken over een teambus of camper, drie personenvoertuigen, een busje en volledige uitrusting. Voor kleine clubstructuren die eerder op vrijwilligersbasis draaiden, was de sprong enorm.
Eneritz Iturriaga, voormalig profrenster en ploegmanager van Eneicat, legde de consequenties uit:
“In 2024 voerde Spanje de minimumloonvereisten voor de continentale status in, en we konden slechts twee jaar meedoen, omdat ons budget opliep tot € 400.000. Dit had gevolgen voor ons omdat sponsors hun investering met bijna 100 procent moesten verhogen, en daarom zijn ze na twee jaar niet doorgegaan.”
Renster Alessia Missiaggia van Eneicat was scherper: “Ze hebben de beweging in feite de nek omgedraaid. Het probleem is dat ze een minimumsalaris voor Conti-teams hebben ingesteld dat te hoog is voor teams. Tegelijkertijd is het salaris voor Conti-teams een nationale regel, dus elk land gaat zijn eigen gang, wat resulteert in duidelijke discriminatie.”
De RFEC verdedigde de maatregel. “We vragen UCI-teams simpelweg om de situatie van hun vrouwelijke werknemers in overeenstemming met de wet te regulariseren,” luidde het in een verklaring aan Cyclingnews. “Ze mogen niet zonder loon, in onzekere situaties of zonder werkzekerheid achterblijven. Het is onze plicht om te strijden voor de waardigheid van vrouwelijke wielrenners en alle werknemers in deze sport.”
Het huidige minimumloon bedraagt €1.424,50 per maand, geen buitensporig bedrag. En de federatie kan wijzen op precedent: Spaanse mannen-Continentalteams vallen al sinds 1998 onder dezelfde loonregels. Sinds 2010 zijn er nooit meer dan twee mannelijke Continental-ploegen geweest. De zeven vrouwen-Continentalteams van 2023 waren in dat licht een anomalie.
Het gevolg blijft echter voelbaar. De UCI-reglementen stellen dat rensters bij Continental-teams niet per se professioneel hoeven te zijn, en in veel andere landen bestaan geen vergelijkbare financiële voorwaarden. Spaanse clubs die willen doorgroeien, concurreren met buitenlandse Continental-teams die tegen een fractie van het budget opereren.
Kalender onder druk
De groei aan de top heeft ook een keerzijde voor kleinere wedstrijden. Het Spaanse vrouwenkalender is geëxplodeerd van zeven koersdagen in 2015 naar 33 dagen over 15 wedstrijden in 2026. Maar de verschuiving van de Vuelta Femenina naar mei, in 2023, creëerde een verstopt blok dat andere organisatoren in de knel bracht.
Ángel Lopez Medi, voorzitter van Club Ciclista Eibarrés en organisator van de GP Ciudad de Eibar, zag zijn wedstrijd de gevolgen dragen. Het evenement begon in 2018 als nationale koers, groeide naar het tweede niveau als 1.Pro-wedstrijd in 2024, maar is dit jaar teruggevallen naar 1.1. “Due to the saturation of the calendar in May, we opted to move to October,” zei Lopez Medi tegen Cyclingnews. “But events proved once again that this was not the most suitable date for the race. Low participation, coupled with most teams being on break, forced us to find another date, even dropping down a category this year to improve participation.”
De Vuelta a Andalucía trof het nog harder. Na drie mei-edities week de koers uit naar oktober, trok slechts 51 rensters, verschoof opnieuw naar april 2026, en werd uiteindelijk geannuleerd.
Minder starts
Het samenspel is helder. Aan de bovenkant van het Spaanse vrouwenwielrennen is de zichtbaarheid groter dan ooit: de Vuelta Femenina beklautert dit weekend de Angliru, de Itzulia Women en Vuelta a Burgos volgen later deze maand. Maar aan de onderkant is de doorstroming weggevallen. Geen Spaans Continental-team kan nog een wildcard claimen bij de thuiskoersen, en kleinere wedstrijden worstelen met een kalender die vooral rond de top is gebouwd.
Spanje zet in mei het grootste vrouwenblok van de wereld op de weg. Eronder staan nog maar twee nationale profteams klaar. Das niet wat we zouden moeten willen.