Afgelopen woensdag, ondanks de krona, toch nog de Waalse Pijl kunnen bekijken, thuis voor de buis.

Wallonië, hoe vaak hadden we daar niet de voetriempjes aangetrokken. In het Hameau des Cahottes (“Keiengehucht”) van Horion-Hozémont, Fize-Fontaine, Vottem en Cras-Avernas. Om maar willekeurig een paar buitenplaatsen in het Luikse te noemen. Bepaald geen arcadia in die dagen.

De koers trok ter plekke nog wel wat vreemde vogels aan. Zo was er die vaste gast, broodmager in een voddig afgewassen rennerspak. Hij had nog maar één been en reed al bedelend rond op een ouwe renfiets. Plots verscheen soms ook een figuur op een brommertje. Op een geleend cafétafeltje werd een op ‘n draaischijf gemonteerd dartsbord vastgeklemd. Een slinger aan dat rad van avontuur en met een inleg van een paar francs en een fikse worp met een vogelpikpijltje kon je misschien een prijsje verdienen. Een mini-kermisje in een bushokje. Was de koers, zonder caroussel en smoutebollenkraam, toch nog een “kermesse”. Op een antieke FN-motor vervoegde zich een bejaard echtpaar. De man had een houten kistje voor de borst hangen, waaruit een felgekleurde hanenstaart stak. Op weg naar een kleindieren-tentoonstelling of toch een illegaal hanengevecht. Kon zomaar want er was volk op de been en dus ambiance. En daarbij, de haan is niet voor niets het symbool voor het Waals gewest.

Wie we daar ook dikwijls troffen was een Amsterdams koppel. Ze boekten voor het weekend een hotelletje. Zaterdag en zondag kon hij dan koersen. Zijn verloofde mee als liefhebbende supporter. Uitzonderlijk voor die dagen dat hij als Mokumse onderwijzer met een zwarte Jabo in Bels rond kachelde. Beroep én kleur van de fiets, plus het logeren, die combinatie matchte eigenlijk helemaal niet met de wielertijdgeest van toen. Bijzonder sympathiek en relaxed oogden ze. Pas onlangs kwam ik er achter dat het heel slecht was afgelopen met die renner. Hij raakte verslaafd aan de speed, verloor zijn baan én scheidde van zijn geliefde. Uiteindelijk overleed hij in zijn flatje, van God en alleman -behalve zijn hond- verlaten. Na tien dagen werd hij pas gevonden; zijn hond had het volgens de overlevering gered door ondermeer. te drinken uit het toilet. Kortom een triest en ellendig einde van wat toen een harmonieus stel leek.
Soms gaan wat herinneringen met mij op de loop en vormen zo een drempel voor het onderwerp waar dit verhaaltje over moet gaan. En wel over de Waalse Pijl waaraan in de eerste regel al wordt gerefereerd. Meer specifiek de versie van 20 april1994, de dag waarop de wielersport zijn onschuld verloor.

In 2011 schreef Bart Jungmann in de Volkskrant: “wielrennen is een illusie die we in stand houden”. Een zin die gevoed was door zijn twijfel bij de overmacht van Philippe Gilbert op de muur van Hoei. Om dan twee jaar later toen Gilbert dreigde weg te deemsteren, te vervolgen met de bespiegeling dat “de Waalse Pijl altijd een goede lakmoesproef is geweest is voor de (on)geloofwaardigheid van de sport”. We zullen Jungmann maar niet gaan bevragen over de winst van hemelbestormer Marc Hirschi anno nu. Wellicht volgt hij zelfs het cyclisme niet meer op de voet, nu hij als pensionado part-time postbode is geworden. Overigens een eerzaam beroep en dat meen ik.

Terug naar de Waalse Pijl van ’94. Ik mocht mee met Wencel en Marcel om namens de Wielerrevue de koers te gaan volgen Die twee wijzen uit het Oosten sjeesden, op weg naar Spa, over de Napoleonsbaan rakelings langs ons huis, dus dat paste prima.

Spa ademde op die wat grijzige woensdagmorgen volop vergane glorie. Als straks het circus zijn tenten weer zou hebben opgebroken, zou er weer een grauwe sluier over de afgebladderde grandeur worden getrokken.
De accreditaties pikten we op in een gedateerd, fin de siècle aandoend, hotel. Met een keycord en gekleurde badge was ik ineens embedded!

In de lobby hing een gesoigneerde Italiaanse ploeg wat landerig in de banken. Ready for take off. Geen spoortje van spanning.

Met mijn passe-partout struin ik door het keuvelende rennersvolk, in afwachting van het vertrek. Ook hier weinig opwinding. Hier en daar wordt nog een interviewtje afgenomen. Vader Toon Theunisse die Gert-Jan nog wat onnodige adviezen toefluistert. Lance Armstrong in zijn verse regenboogtrui met al een hooghartige adelaarsblik. Minzaam, poseert hij voor een fotootje. The American Eagle has landed. Als we dat maar eens goed tot ons laten doordringen.

Dan zijn we vertrokken. Met een banner op de voorruit geplakt, mogen we aansluiten in een lange optocht. Geen renner in zicht. Wel de wedstrijdradio die informeert over de “hommes de tête”, een lekke band meldt of als de koers wat vordert, Polti maant om wat kléédij aan te nemen.

Af en toe steken we wat af om toch nog wat renners in levende lijve te ontwaren. Bjarne Riis heeft bij doorkomst zijn Gewiss-shirt al tot de navel open geritst. Het is nog geen halfkoers. Dirk De Wolf frummelt wat aan de sensor op de voorvork. Je moet maar durven, voor je het weet liggen er wat vingertopjes op de macadam. Heel veel meer valt er niet te melden.

Dan op naar de perszaal bovenop de Muur. In het patronaat naast de kerk heeft het journaille zich geïnstalleerd. Er is koffie met broodjes en ook wel een pint voor de liefhebber. Een oud-sportjournalist (ben zijn naam even kwijt) had als stelregel dat je de renners in de kont moest kunnen kijken. In de volgauto onmogelijk, maar hier binnen lukte dat wonderwel. Want er stonden een stuk of wat gewone televisietoestellen opgesteld, waarop de gezamenlijk pers de rechtstreekse uitzending volgde. Ze werden op hun wenken bediend die zogenaamde “kontkijkers”, want die huis-tuin-en keuken tv’s waren toen nog allemaal voorzien van een forse úítstekende kont.

Ze schreven of tikten het verloop van de koers gewoon over van het scherm. Misschien had je ook gewoon thuis een verslag kunnen maken. Maar dat was een infame gedachte van mij. Immers dan had je nooit van nabij meegemaakt hoe die dag geschiedenis werd geschreven, zeg maar de onschuld werd afgeworpen.

Al op de tweede doorkomst van die steile rotbult reden drie Gewiss mannen zomaar de rest van het pak regulier uit het wiel. Furlan, eigenlijk een onbeduidende coureur, had Milaan-SanRemo al gewonnen en Berzin een paar dagen tevoren al Luik-Bastenaken-Luik. Nu was kennelijk Argentin, de derde musketier aan zet.

Nog had niemand precies in de gaten welke eruptie zich daar voltrok. Ze konden er niet goed mee uit de voeten die schrijvers en volgers. De Italianen en hun huurlingen heersten dit voorjaar met een overmacht die zijn weerga niet kende. De zondag ervoor waren in Luik al negen van de tien eersten al pionnen van de squadra. En in Hoei dreigde van hetzelfde laken een pak.

Het driemanschap stormde eensgezind richting meet alsof er geen klassieker werd verreden, maar een alledaagse training werd afgewerkt, schreef Bert Wagendorp in zijn wedstrijdverslag. Waarvan de titel veelzeggend was: “Argentin kannibaal van superieure Italianen”. De achtervolgers, stuk voor stuk kleppers, werden door het blauw-witte epo-treintje als een stelletje snotneuzen afgeserveerd.

Natuurlijk voelden ze al nattigheid, die corridori. Een leger van sceptici zou weer beginnen te zagen over vals spel. Daarom had Argentin al een paar dagen vooraf de contre-attaque ingezet. Ook buiten de koers is de aanval als beste verdediging te kiezen. “Wij hebben geen doping nodig om te presteren. Ik ben ten volle bereid om bloed af te staan om dat te staven. Die renners uit de Lage Landen lopen twintig jaar achter bij ons qua trainingsaanpak. ’S winters laten ze de teugel helemaal vieren. Lekker op vakantie en maar feesten, terwijl wij voluit trainen”.Honi soit qui mal y pense; ze konden zo een rechtszaak aan hun broek krijgen die kwaadsprekers. Die gotspe zou nog lang nadreunen in de epo-gedreven negentiger jaren.

Later had ik me bij de aankomst geposteerd bij de verzorger van Gewiss-Ballan. Mijn vraag of Argentin toch wel zou winnen werd met zijn lichaamstaal afgedaan als de meest bespottelijke die hij ooit had gehoord. Het verdict was duidelijk: Moreno kreeg zijn derde zege als afscheidscadeau. Twee maanden later hing hij zijn fiets aan de wilgen.

Eddy Bouwmans werd met een zestiende plek beste Nederlander. “Goed gereeje jonge” als compliment van soigneur Ton van Engelen bij het aanreiken van een flesje prik. In Eddy’s ogen zag ík alleen uitputting en doffe berusting.

Na nog een sneer naar de Vlaamse collega’s, waar toch al hun dolende ridders gebleven waren, verlieten we de arena.

Toevallig passeren we Manni Krikke, die ook als toeschouwers het slagveld had overzien. Zijn kompaan voegt hij nog toe: “ja, die mannen van Gewiss moesten wat laten zien”. Waarom speciaal Gewiss, werd mij op dat moment niet duidelijk. Oh, hoe graag had hij als oud-pugilist zijn fietsploeg niet voorzien van een wondermiddel om ze allemaal tegen het canvas te meppen. Maar ach, zijn team was al twee jaar eerder door het onethische ijs gezakt. Helaas, en het ging niet over bedorven pindakaas.

Afijn hoe het ook zij, de Giro is weer vertrokken. L’Italia farà da sé, oftewel Italië naait zijn eigen naad. Sempre, altijd.

Waarvan akte.

Bronnen:
Column van Bart Jungmann d.d. 17/7/2013; de Volkskrant
Wedstrijdverslag van Bert Wagendorp d.d. 21/4/1994; de Volkskrant

Latest posts by Theo Buiting (see all)