Foto Sirotti

Wielercultuur

Adrie is jarig: de mooie zege in LBL 1988 van VDP Senior

Een bovengemiddeld getalenteerde renner heeft het voorrecht soms hardop te kunnen uitspreken welke koersen hij of zij ooit verwacht eens te zullen winnen. Adrie van der Poel is er zo een. Als de latere vader van Mathieu aan het begin van de jaren ’80 een aantal aansprekende resultaten heeft behaald en merkt dat hij zijn voornaamste concurrenten steeds vaker zijn wil kan opleggen, durft hij het wel aan.

De Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix noemt hij zonder nadenken, als een journalist wil weten waar de Nederlander zijn pijlen op heeft gericht. Die koersen kan hij winnen, laat een van zelfvertrouwen blakende Van der Poel optekenen. Dergelijke, in de ogen van sommigen overmoedige, uitspraken zijn in die tijd een minder groot risico dan heden ten dage. Internet is er immers nog niet, dus wil je iemand aan het einde van diens carrière afrekenen op eerder gedane beloften of uitspraken, dan zul je een buitengewoon goed archivaris van kranten en tijdschriften moeten zijn. Of kasten vol videobanden van sportuitzendingen moeten bezitten. Het maakt dat Van der Poel, als zijn profcarrière pas een paar jaar op gang is, de verwachting wel durft uit te spreken dat er een dag komt dat hij de beide voorjaarsklassiekers eens zal winnen. De profetische woorden komen uiteindelijk slechts voor de helft uit. In 1986 troeft de Nederlander in Meerbeke medevluchters Sean Kelly, Jean-Philippe Vandenbrande en Steve Bauer af en wint de Vlaamse Hoogmis. Parijs-Roubaix zal echter altijd een hiaat op zijn palmares blijven. Dichter dan een derde plaats, precies een week na zijn zege in Vlaanderen, weet Van der Poel niet te komen op de bonkige Noord-Franse kasseien. Daarentegen schrijft hij wel een andere monumentale klassieker op zijn naam. Een waarvan hij juist verwacht had die nooit te zullen gaan winnen. Om de doodeenvoudige reden dat het parcours een renner met zijn kwaliteiten niet op het lijf is geschreven. Op de relatief lange en zware colletjes in Wallonië denkt Van der Poel betrekkelijk weinig te zoeken te hebben. Tot het zondag 17 april 1988 wordt en de regerend Nederlands kampioen tot diep in de finale van Luik-Bastenaken-Luik met de besten mee kan. Sterker, hij beschikt over het beste eindschot van het drietal koplopers. Hij wint.

Rooks kopman

Ondanks dat Van der Poel twee jaar eerder, kort na zijn zege in Vlaanderens Mooiste, al eens als tweede is aangekomen in een van de meest grauwe steden van België, is hij niet de uitgesproken kopman van PDM. Steven Rooks wordt in 1988 door ploegleider Jan Gisbers als grootste kanshebber naar voren geschoven. Het is een logische keuze. De Waalse scherprechters, waarvan de Mont Theux en de Côte de la Redoute de voornaamste zijn, lijken de Noord-Hollander op het lijf geschreven. Vijf jaar eerder had hij als verrassende debutant gewonnen in Luik. In de jaren die volgen ontwikkelt Rooks zich tot de wereldtopper die hij in 1988 is. Bovendien verkeert hij die lente in een meer dan uitstekende vorm, getuige top 5-klasseringen in Milaan-Sanremo, de Ronde van Vlaanderen en de Waalse Pijl. Het uiteenlopende karakter van die drie voorjaarskoersen is bovendien het bewijs dat Rooks van alle markten thuis is. Van der Poel daarentegen vreest, ondanks zijn tweede plaats in Luik-Bastenaken-Luik van 1986, toen hij in een sprint met vier alleen Moreno Argentin hoefde voor te laten, de besten niet te kunnen volgen op de Redoute. Rooks, Kelly, Argentin, maar ook andere favorieten, onder wie Phil Anderson, Claude Criquielion en Rolf Sørensen, zijn in de optiek van de Brabander een maatje te groot voor hem. Vandaar dat Van der Poel al in een vroegtijdig stadium de aanval kiest. Kort daarvoor heeft hij geconstateerd dat Rooks wel erg passief rijdt. Net na Mont Theux springt hij mee met een ontsnappingspoging van Robert Millar, Michel Dernies, Yvon Madiot en Fons De Wolf. Wie weet dat zijn kopman op deze manier iets aan hem heeft, redeneert Van der Poel. Plan B is dat hij met voorsprong de finale bereikt en zo, ondanks de door hem zo gevreesde klimmetjes, zelf nog steeds kansrijk is.

Goede benen

Dat laatste wordt werkelijkheid. De PDM-renner beschikt in Wallonië over uitstekende benen. Niet voor niets was hij eerder die dag liefst driemaal na een wielwissel eenvoudig in het peloton teruggekeerd en had ‘en passant’ wat knechtenwerk voor Rooks en mede-ploeggenoot Gert-Jan Theunisse opgeknapt. Als de Côte des Forges opdoemt is Van der Poel niet meer zo bang voor het slopende klimwerk tegen gemiddelde stijgingspercentages van rond de 10%. Millar dicteert het tempo, dat voor Madiot en De Wolf al snel te hoog blijkt te liggen. De twee worden als overbodige ballast zonder pardon overboord gekieperd. Dernies en Van der Poel volgen echter met speels gemak. Na de top komt ploegleider Gisbers zijn pupil vertellen dat Rooks op komst is. Die wetenschap bezorgt Van der Poel een geldig excuus om kopbeurten over te slaan. De Nederlands kampioen kan zich gedwee mee laten voeren richting de aankomst. Ondertussen blijkt Rooks het gat niet te kunnen dichten. De Noord-Hollander blijft op een aantal seconden bungelen. Ineens begint Van der Poel te geloven dat hij een koers, waarvan hij nooit had verwacht dat hij die zou kunnen winnen, op zijn naam kan schrijven. In de sprint zijn erkende strijkijzers Dernies en Millar, die bovendien de meeste van hun krachten hebben ingezet om Rooks achter zich te houden, geen partij. De Belg en de Schot zijn al lang blij met hun podiumplaats. Een boze en vooral hevig teleurgestelde Rooks moet genoegen nemen met de vierde stek. Dat de overwinning in Luik-Bastenaken-Luik dankzij Adrie van der Poel binnen de PDM-ploeg is gebleven kan hem op dat moment niets schelen.

Foto pr-kaart PDM-ploeg (1988)

Bekijk ook van Vincent de Lijser

Hoe de jarige Yvon Madiot de Tour van 1994 misliep

Wielercultuur

Mischa Bredewold en haar emotionele EK titel in 2023

Wielercultuur