Afgelopen zaterdag was de apotheose van de Giro dit jaar. De slotklim naar het Marmolada-massief, waarvan Eddy Merckx ooit zei gevraagd naar zijn ervaringen (Eddy, wat denk je?): “Brrrrr”. Merckx, een man van weinig woorden, maar wel grote daden.

Ik verwachtte een parade van tenoren, van mannen die weten wat het is om zo’n monster te bedwingen. Plots kreeg ik het beeld door van een renner die afscheid nam van wat dan heet de ‘hoofdmacht’, hij viel op door de trui die hij droeg: blauw. Prachtig truitje, het wordt gedragen door de leider in het bergklassement. Maar hier op het slotgala gaf hij forfait, een ontluisterend beeld. De buit was al binnen.

Bij mij hier in de kast staat het boek De Klimmers, van Martin Ros en Wout Koster. De laatste daarin bezongen: Marco Pantani. Net daarvoor, moet gezegd, staat ook nog Richard Virenque. Terwijl het bij deze man volgens mij is misgegaan, is begonnen met de neergang van de ‘stiel’.

Virenque ging punten sprokkelen door pontificaal in de vroege vlucht zitting te nemen, en op het eind van de beklimming er nog een sprintje uit te persen. Lucien van Impe zag het hoofdschuddend aan, en ik met hem. Hier werd een edel ambacht te grabbel gegooid. Virenque is inmiddels recordhouder bolletjestrui, vandaar allicht de obligate opname in de hagiografie van Ros & Koster.

De vraag is er ooit nog een addendum zou kunnen komen in dat boek, de erehaag van klimmers. Zijn er nog klimmers, of halen ze hun neus op voor deze gedevalueerde prijs. De beste klimmers staan allicht hoog in het algemeen klassement. Die hebben wel iets anders aan hun hoofd, dan krachten verspelen aan ‘meespringen’ en ‘in het zicht van de GPM (Grand Prix de la Montagne) sprinten’.

Ooit was het andersom. Federico Bahamontes, prominent aanwezig in De Klimmers, klom als een adelaar, passeerde de top, en stopte voor een ijsje, zo gaat de legende. De gele leiderstrui interesseerde hem niet.

Allemaal hebben we wel een beeld van wat een goede klimmer is, iemand die het verschil kan maken als de weg omhoog loopt. De huidige operationalisatie van het concept ‘goed kunnen klimmen’ deugt echter niet. Nu is het een kwestie van meezitten, overleven en een sprintje kunnen trekken. (Bauke Mollema voegde daar ooit aan toe: zorg dat je in de eerste etappes op ruime afstand binnenkomt, anders krijg je de zegen niet.) Voorwaar, dat is ook selectie, waarin de beste boven komt drijven, die complimenten verdient (bij deze: King Koen), maar met klimmen heeft het weinig van doen. De vraag is of en hoe het dan wel kan. Klimtijden registreren met een transponder is wel eens gesuggereerd. Je zou de leider van het bergklassement ook strafpunten kunnen geven, als hij zo schrijnend achterin zwalkt. Je kunt het ook laten voor wat het is. De roemruchte klimmers van weleer zijn bijna allemaal dood, net als co-schrijver Martin Ros, God hebbe hun ziel.

Noem het voor mijn part de vluchterstrui, niks mis mee, vluchten is goed, ook een kunst, afscheid nemen van wat ooit was. Ik wil ervoor applaudisseren, zonder ironie.