Foto Unipublic / Cxcling / Naike Ereñozaga
Column: La Vuelta – vallen en opstaan
Afgelopen weekend was het weer raak, de wielerwereld werd wederom opgeschrikt door een lelijke valpartij en bijbehorende consequenties. De Vuelta werd min of meer onthoofd, de gedoodverfde winnaar stuurde een gehavende foto vanuit de ziekenboeg, alles ging prima, proffietsers zijn geen watjes. Het gesprek ging in de basis dan ook niet over de ernst van zijn kwetsuren, maar over of hij op tijd fit zou zijn voor het aankomende WK en EK. De verwondingen, toch redelijk serieus, leken bijna bijzaak, een obstakel dat snel moest worden overwonnen om weer fit te zijn voor de volgende wedstrijd. In het peloton, zelfs bij de absolute top, heb je veelvallers zoals Kelderman en Rogli?, die dan ook nog eens vaak langdurig uit de running zijn en renners die nauwelijks vallen zoals Pogaçar en Van der Poel, die meestal vallen zonder veel erg.
Berend Braaksma was een brekebeen, hij was dan wel een bijzonder goede en getalenteerde renner, maar hij had ook een neus voor het kleine hoekje waarin het ongeluk school. Vanaf zijn jeugd was Berend een veelwinnaar, hij won zowel bij de nieuwelingen, als bij de junioren menige wedstrijd. Enerzijds omdat Berend een begenadigd hardrijder was, maar anderzijds en minstens zo belangrijk omdat hij voor de duivel niet bang was en geen risico schuwde. Als er tijdens de sprint een gaatje zat tussen een renner en de balustrade, ook al was het minder dan een halve stuurlengte, dan drukte hij zich ertussen. En als iedereen in een volle afdaling voor een U-bocht in de remmen kneep, dan reed Berend er met dubbele snelheid doorheen. Tijdens juniorenklassiekers waar de startopstelling volgens het principe ‘eerst komt, eerst maalt’ werd bepaald, stonden zijn leeftijdgenoten met zenuwachtige kopjes een half uur voor de start al kou te lijden voor de startlijn. Op het moment dat de neutralisatie begon voegde Berend zich ontspannen in de achterste regionen van het vaak 180 koppige peloton en als de neutralisatie na een paar kilometer voorbij was, drukte zijn voorband tegen de achterbumper van de jurywagen. Zo had hij al veel wedstrijden in zijn voordeel beslist, maar evenzovele keren de eerste hulp of erger de OK van het ziekenhuis bezocht. Het kon Berend niet deren, zijn motto ‘wat gebroken is, heelt weer’ was hem heilig en woog niet op tegen het verslavende elixer van de overwinning.
In zijn eerste jaar als belofte en neoprof vielen zijn resultaten hem tegen. Opboksen tegen de grote mannen was wat anders dan tegen timide leeftijdgenootjes en de trucjes die hem in zijn vroegere jaren geen windeieren hadden gelegd, bleken in het profpeloton gemeengoed. Op een enkele podiumplek na ging zijn debuut bij de profs vrij kleurloos voorbij. Na zijn eerste jaar nam hij zich voor dat, wilde hij de rest van zijn carrière hetzelfde succesniveau als in zijn jeugd behalen, hij grotere risico’s zou moeten nemen. De daar ongetwijfeld bijbehorende ongevallen had hij jaren geleden al voor lief genomen.
In zijn daaropvolgende jaren maakt hij een gestage opmars door het peloton. Zijn resultaten werden beter en hoewel hij op regelmatige basis enige tijd in het ziekenhuis moest doorbrengen, bleef er voldoende tijd over om een indrukwekkende resultatenreeks neer te zetten. Op zijn vierentwintigste had Berend een imponerende serie eendagswedstrijden op zijn naam geschreven en was hij al vier keer als kopman in een van de drie grote rondes gestart. Het enige probleem was dat zo’n drieweekse wedstrijd voor Berend een te grote uitdaging leek, nog geen één keer had hij een ronde uitgereden en dat was geen conditioneel probleem. Achtereenvolgens hadden een gebroken pols, sleutelbeen, enkel en schouder hem voortijdig gedwongen af te stappen.
Maar zowel Berend als zijn ploegleiding hielden vertrouwen in een goede afloop. Dit jaar was hij in de giro nog gestrand met een gebroken schouder, maar de Vuelta die hij als kers op de taart reed, was tot nu toe voor zijn doen bijzonder goed gegaan. ‘Tot nu toe’, was op drie dagen voor het einde, waar hij zowaar met een voorsprong van 1,5 minuut op zijn naaste belagers in de rode trui aan de start van de koninginnenrit stond. Daarna was er op zaterdag nog een tijdrit, die Berend inmiddels tot in de finesses beheerste, waar na de feestrit naar en door Madrid deze Vuelta zou eindigen.
Zijn ploeg hield tot en met drie kwart van de wedstrijd alle concurrentie onder controle, er leek geen vuiltje aan de lucht. Als Berend met zijn ploeg op de laatste klim zou aankomen, zouden zijn kansen op de overwinning bijzonder groot zijn, vallen tijdens de beklimming leek niet erg waarschijnlijk. Zijn concurrenten wisten dit ook en dus vielen die een voor een op de een na laatste klim aan. Berends ploeggenoten moesten passen en zo kwam Berend in een groepje met vier concurrenten boven op de top. Wetend dat Berends achilleshiel in de afdaling lag, stortten de twee beste concurrenten zich als eerste vol overgave naar beneden. Berend knalde er als een slechtvalk in vrije val achteraan. Omdat hij zich een beetje had laten verrassen, probeerde hij het gaatje dat was ontstaan goed te maken door, zoals hij gewend was, met iets meer snelheid dan verstandig was door de bochten te gaan. Dit leek te werken, hij kwam steeds dichterbij en vlak voor het dal leek hij de aansluiting te vinden, maar in de laatste bocht ging het mis. Er lagen wat losse steentjes in die bocht en Berend schoof majestueus onderuit. Hij vloog met zijn volle gewicht de vangrail in en bleef even versuft liggen, zich niet volledig bewust van de situatie waarin hij zich bevond. Toen hij na enkele seconden weer bij zinnen was, kroop hij voorzichtig overeind, zijn lichaam deed aan alle kanten pijn, maar als door een wonder, of wellicht omdat zijn lichaam alles had opgevangen, was zijn fiets ongeschonden gebleven. Bijtend door een onmenselijke pijn in zijn borst hees hij zichzelf voorzichtig op zijn fiets en startte de achtervolging. Aan de voet van de laatste klim kreeg hij van een motard door dat zijn achterstand op de twee koplopers een halve minuut was. Stoempend en stampend, de pijn verbijtend, met af en toe een schreeuw als uitlaatklep, sleurde hij zich de laatste klim op. Op de top was het verdict een minuut achterstand, waardoor hij in het klassement nog een halve minuut overhield voor de tijdrit.
Na afloop weigerde hij, ondanks aandringen van zijn ploegleiding, maar bang voor het resultaat, om een scan van zijn kwetsuren te maken. De volgende dag voor de tijdrit werd zijn borst ingezwachteld en met de nodige pijnstilling van het kaliber waarmee je de kracht van een Rottweiler tot die van een schoothondje reduceert, kroop hij op zijn tijdritfiets. Het voordeel was dat zijn houding op deze fiets gunstig was voor zijn kwetsuur, waardoor hij er voor zijn doen een matige, maar voor de omstandigheden acceptabele tijdrit uitperste, waarbij hij aan het eind nog twintig seconden voorsprong op de tweede plek overhield.
De volgende dag in de feestrit naar Madrid, omringd door zijn ploeggenoten kwam deze voorsprong niet meer in gevaar. Direct na de huldiging werd Berend afgevoerd naar het ziekenhuis, waar op de röntgenfoto drie gebroken ribben zichtbaar werden, liggend in zijn ziekenhuisbed kwam brekebeen Berend tot de eindconclusie dat dat een acceptabele prijs was voor de rode trui.
Foto Unipublic / Cxcling / Naike Ereñozaga
Foto A.S.O./ Cxcling / Miguel Ena