Tot een maand of wat geleden maakte ik regelmatig de grap dat ik altijd nog profwielrenner kan worden als het met schrijven niet zou lukken. Er was er immers nog eentje actief die (maanden) ouder was dan ik. Dan moest ik wel uitleggen wie Davide Rebellin (1971-2022) was.

Dat is net zo jammerlijk als moeten uitleggen dat op je vijftigste hard fietsen best nog kan. Soms dan. Dat hij niets anders kon en weigerde met pensioen te gaan heeft iets tragisch.Dat is wat in de necrologieën dicteert, al is tragiek net zo’n hol begrip als respect.

Het is een stigma ook waar je niet los van raakt als nieuwbakken overledene.

Je kunt een behoorlijk peloton vullen met tragische figuren die te vroeg sneuvelden, het Paterke van San Bonifacio zou zelfs maar in de achterhoede fietsen. Het ging nooit grotesk mis bij de Italiaan, integendeel.

Maar zelfs zijn bijnaam heeft iets meelijwekkends. Die gepijnigde blik verraadde geen bewogen leven, leek meer op die emoji 😬

Bij Monsieur Pipi (Charly Gaul) of de Vlinder van Maastricht (Tom Dumoulin) bleef nooit iets schlemieligs hangen. Zij fietsen ook niet zo lang door als Rebellin, dat deed niemand, Dumoulin flirte nog met het tragische omdat hij geen vedette wilde zijn.

Koersslimheid! Dat zouden beschouwers nu in koor moeten roepen bij Rebellin. Dat predicaat bekt net zo matig als zijn devotie, of het nadrukkelijke fietsplezier. Daarom zocht hij de laatste jaren steeds een ploeg die nog net iets exotischer was dan de vorige, van Koeweit naar Cambodja naar de laatste: Work Service Marchiol Vega.

Bij zoveel obscuurs leek zelfs zijn wonderjaar 2004 wat onder te sneeuwen, toen hij in een week tijd drie klassiekers won.

Een zwijger zonder mysterie. Rebellin was de Donald Duck in de leesmap, in welke wachtkamer je ook zat, hij lag er altijd tussen. Ik zocht hem in uitslagen toen dat nog moest in papieren kranten, toen ik zelf net begon met wielrennen. En jawel, een paar weken terug vond ik hem nog terug bij het WK gravel in Italië: plek 39.

Dat hij daarna zou stoppen moeten we achteraf zien als een hardnekkig gerucht.

Strava bleef vrijwel dagelijks zijn trainingsritten noteren, rond Monaco en in Italië. Zijn ritje van 30 november is niet meer geplaatst, maar eindigde op een lelijke rotonde vlakbij een truckerscafé.

Necrologieën zijn zo vluchtig als het leven zelf. Ze schrijven niet dat Rebellin er altijd bij zat in de finale. Dat hij Michael Boogerd tot wanhoop dreef, die hem maar niet los kon rijden, die net zoveel tweede plaatsen verzamelde als zwarte gaten na zijn carrière. Die zijn ding wél bekende, vergeefs hoopte dat zijn collega’s zijn voorbeeld zouden. Dat is al wat tragischer.

Maar we mogen de grootheid van een coureur niet laten overwoekeren door leedvermaak. Wat er aan feitelijke tragiek overblijft in het geval van Rebellin: hij werd niet geselecteerd voor WK’s die hij had kunnen winnen, want andere Italiaanse kopmannen bleken in zijn topjaren mondiger en kregen voorrang. Lombardije winnen lukte hem niet. De Olympische Spelen, ook net niet. Maar als hij geen zilver maar goud had gewonnen in 2008 had hij die medaille ook moeten inleveren. Biechten? Dat deed de gelovige naar verluidt voor het laatst als misdienaar.

Dat is weer niet half zo tragisch als het einde…en de term die ik overal lees: de oud-wielrenner. Dat wat hij nog geen maand geweest is en nooit had willen zijn.

Het suggereert zelfs dat er nog iets anders te doen is in het leven dan fietsen.