Foto Sirotti/Anefo
Krijgt Spanje weer een Tourwinnaar? Van Bahamontes tot Contador: deze zeven renners gingen voor
De Tour de France start dit jaar in Spanje, in de Catalaanse hoofdstad Barcelona. Dit zou hét moment moeten zijn voor een nieuwe Spaanse ‘Conquistador’. Maar ja, als het van Enric Mas moet komen…dan kunnen we wachten tot Sint Juttemis. Gelukkig heeft Spanje een historie, het land heeft zeven officiële Tourwinnaars voortgebracht. In dit artikel kijken we terug op die winnaars, van Bahamontes tot Contador. Een terugblik op in totaal twaalf Touroverwinningen, maar ook al zestien jaar zonder eindzege. De kans dat dit zeventien jaar wordt, lijkt meer dan logisch.
De Tour is terug in Spanje! De Grand Départ is dit jaar terug op het Iberisch Schiereiland. Het was slechts drie jaar geleden dat Spanje ook host was voor de Tourstart. Toen begonnen de renners met een heerlijke etappe van Bilbao naar Bilbao. De slotklim over de Pike, dat was me er eentje. Spanje is het land dat in de historie van de Grande Boucle twaalf officiële eindzeges leverde. Die zeges werden binnengehaald door zeven verschillende winnaars. De laatste zege? Die dateert van 2009, toen Alberto Contador voor de tweede keer het geel mee naar huis nam.
Tussen die eerste Spaanse zege in 1959 en de recentste liggen vijf decennia van bergkoningen, tijdritspecialisten en aanvallers die de Tour hun stempel opdrukten. Een overzicht, in chronologische volgorde.
Federico Bahamontes, de adelaar van Toledo (1959)
Federico Bahamontes, geboren in 1928 nabij Toledo als zoon van een Cubaanse immigrant, was de eerste Spanjaard die de Tour de France won. Hij was overigens niet de eerste Spaanse renner die een etappe won, dat was Miguel Poblet. Ook was hij niet de eerste Spanjaard op het podium, dat was Bernardo Ruiz, zeven jaar eerder met een tweede plek in de Tour van 1952. Terug naar Bahamontes. In 1959 pakte hij het geel in Parijs, dertien jaar nadat hij zijn eerste koersoverwinning had gepakt in Andalusië. De tour van 1959 ontwikkelde zich volgens een interessant scenario. De uiteindelijke winnaar stond halverwege nog 11 minuten (!) achter op de leider van dat moment, Michel Vermeulin. Daarvoor droegen Robert Cazala en Eddy Pauwels de gele trui. Belangrijker was de verhouding van Federico Bahamontes tot zijn belangrijkste tegenstrevers Charly Gaul en Jacques Anquetil. Bahamontes stond al een aantal seconden voor op Gaul en een minuut voor op ‘monsieur Chrono‘. Vanaf etappe 13 nam ‘de adelaar van Toledo’ het heft in handen. Zijn bijnaam verwijst naar de specialiteit van Bahamontes, klimmen. De Belg Jos Hoevenaars droeg nog twee dagen de gele trui, maar Bahamontes lag al op pole position om na een volgende bergetappe de leiding te pakken. De klimtijdrit, etappe 15, naar Puy-de-Dôme, was zijn meesterzet. Bahamontes won, pakte een minuut en meer op zijn belangrijkste concurrenten en had enkel Hoevenaars nog voor zich met 0:04. In etappe 17 naar Grenoble, door de Alpen, werd het pleit beslecht. Gaul won de etappe, Bahamontes werd tweede en greep de gele trui die hij niet meer losliet tot aan Parijs. Zelfs een derde tijdrit (!) in die ronde, kon de Franse held Anquetil niet helpen. Bahamontes won met 4 minuten voorsprong op Anglade, Anquetil werd derde.
Bahamontes won in totaal zeven Touretappes in zijn carrière en droeg de bolletjestrui zes keer, in 1954, 1958, 1959, 1962, 1963 en 1964. Hij won ook twee keer de bergtrui in de Vuelta, maar kon nooit zijn ’thuisronde’ winnen. Een tweede plek in 1957 was zijn beste prestatie.
In 2013 stemde een panel van L’Équipe hem tot beste klimmer in de Tourgeschiedenis. Toch was hij ook berucht als onzekere daler. Het beroemdste verhaal: bovenop de Galibier, met een comfortabele voorsprong, stapte hij van zijn fiets, bestelde een ijsje en wachtte tot het peloton aankwam. Volgens de overlevering zette hij in een afdaling ook vaak een voetje aan de grond in een bocht. De Adelaar van Toledo overleed in 2023 op 95-jarige leeftijd.

Luis Ocaña, de rivaal van Merckx (1973)
Ondanks de vele sterke Spaanse renners zit er 14 jaar tussen de overwinning van Bahamontes en de volgende Spaanse Tourwinnaar. Een van de redenen dat de Spanjaarden moesten wachten op hun volgende overwinning, was de dominantie van twee grootheden, Jacques Anquetil en Eddy Merckx, maar ook de afwezigheid van een Spaanse klepper. In 1963 kwam Bahamontes nog dichtbij, met een tweede plek op slechts 3:35 van Anquetil. Dat jaar stond ook een tweede Spanjaard, José Pérez Francés op het podium.
Luis Ocaña was een man zonder land. Geboren in het armoedige Spanje van de jaren veertig, emigreerde hij als twaalfjarige met zijn familie naar het zuidwesten van Frankrijk, waar hij zichzelf als wielrenner vormde op de wegen van de Armagnac. In Spanje noemden ze hem El Francés, in Frankrijk l’Espagnol. Het is het lot van een migrant, want nergens was hij echt thuis. Toch koos hij zelf voor Spanje, reed hij voor Spaanse ploegen en weigerde hij zich te laten naturaliseren. Ondanks zijn houding t.o.v. dictator Franco. Die tweespalt stak hem zijn hele carrière, ook omdat de Spaanse pers hem nooit volledig accepteerde en hem bij iedere tegenslag de maat nam als buitenstaander.
Ocaña liet al vroeg zijn klasse zien, met name in de tijdritten. In 1970 won hij zijn eerste Tour de France etappe. Toen zaten er zelfs vier (!) tijdritten in de ronde van Frankrijk, evenals een ploegentijdrit. Dat waren vaak gesplitte etappes (een a-b variant) met een tijdrit van 8 tot 10 km. Maar toch, hij scoorde daarin telkens top 10. Toch liet hij ook zien meer dan goed te kunnen klimmen. In de Tour van 1971, in de etappe naar Puy-de-Dôme klopte hij Joop Zoetemelk en won de etappe. Het was een Tour waarin hij ook de gele trui droeg en eigenlijk de Tour al naar zijn hand had kunnen zetten. Hij stond na de tijdrit in Albi ruim 7 minuten voor op zijn naaste belager Merckx. Maar een enorme crash in etappe 14, in de afdaling van de Col de Mente (tijdens een onweersbui) deed ‘m de das om. Hij moest opgeven en de Kannibaal kon de zege oprapen. In 1972 was hij in de voorbereiding erg sterk. Hij won de Dauphiné en reed een sterke Tour, tot etappe 14. Dat was een gesplitste etappe, waarin hij in de ochtend al twee minuten verloor, maar zijn tweede plek nog kon vasthouden. De middagetappe, 151 kilometer, werd zijn waterloo. Hij verloor minuten en de volgende dag stapte hij niet meer op. In de Kroonieken wordt deze Tour nog mooi tot in detail beschreven.
#ciclismo #Merckx e Ocana tour 1972 pic.twitter.com/C3GkOUhmfp
— Mario Lelli (@mariolelli63) December 15, 2014
In 1973, eigenlijk in zijn derde poging, was het raak voor Ocaña. Wellicht was het dat Merckx dit besloot niet mee te doen (hoe dan?) en voor de dubbel Giro en Vuelta te gaan. Maar als het enkel daarom zou zijn, dan zouden we Ocaña tekort doen. De Tour startte in 1973 in Scheveningen met een Proloog en van kiet af aan was Ocaña voorin te vinden. Evenals ‘de eeuwige tweede’ Raymond ‘PouPou’ Poulidor en die andere tweede Joop Zoetemelk. Grappig genoeg stonden beide eeuwige tweeden niet op het podium in Parijs. Ocaña pakte in de ochtendetappe 7a (naar Divonne-Les-Bains) het geel en liet dat niet meer los. Hij won alleen al in die ronde 6 (!) etappes en in Parijs had hij meer dan een kwartier voorsprong op Bernard Thévénet en 17 minuten op landgenoot Fuente. Het zijn getallen die Merckxiaans zijn, want de Kannibaal won de Tour in 1969 met bijna 18 minuten voorsprong. De twee waren meer dan rivalen. Ze waren eigenlijk gelijken.
Gedurende zijn loopbaan won Ocaña negen Touretappes en boekte hij in totaal 110 overwinningen voor zijn afscheid in 1977. Zijn verhaal eindigde tragisch: in 1994 maakte Ocaña een einde aan zijn leven, nadat hij worstelde met depressies en het oplopen van Hepatitis C bij een bloedtransfusie. Er werd bij zijn familie over zijn zelfmoord getwijfeld, maar uiteindelijk is dat meer voer voor samenzweringstheorieën dan dat er echt waarheid in zat. Ocaña is de tweede Spaanse tourwinnaar ooit.

Pedro Delgado, Perico (1988)
Na Ocaña in 1973 was het weer lang wachten op Spaans succes. Vicente López-Carril kwam in 1974 nog op het podium, maar daarna was het lange tijd stil. Geen Spaanse furie. Pas in de jaren ’80 was er weer hoop. In 1983 was er al enige hoop met Angel Arroyo die een tweede plek bij elkaar reed, die achter le Professeur Fignon en samen met Peter Winnen op het podium stond. Maar het was wachten op Pedro Delgado en de PDM-ploeg.
Pedro Delgado, in Spanje liefkozend ‘Perico‘ genoemd, kondigde zich al in het begin van de jaren ’80 aan als klassementsrenner. In 1985 won hij zijn thuisronde in de Vuelta a España. In de Tour van dat jaar pakte hij al een top tien plek én de tweede plek in het bergklassement. Het zou echter nog twee jaar duren voordat hij meedeed om de overwinning. Want in 1986 stond hij in de top vijf toen hij in Etappe 18 richting Alpe d’Huez moest opgeven. Hij had wel sterke vorm laten zien met een overwinning in de rit naar Pau, maar hij stond toen al op een respectabele 6 minuten van klassementsleider Hinault en ook al ruim achter de uiteindelijk winnaar Greg Lemond. Toch had PDM zijn kaarten op hem gezet en in 1987 leek Delgado al op weg naar de overwinning. In zijn karakteristieke stijl van aanvallen en risico’s nemen legde hij de Ier Stephen Roche het vuur aan de schenen. Wat heet. In de etappe naar Alpe d’Huez pakte hij het geel over van Roche en tot aan de voorlaatste etappe was Delgado favoriet om te winnen.
Maar ja, die tijdrit. Die kostte hem de kop. Of naja, de eindzege. Roche pakte een minuut en maakte daarmee zijn achterstand van 0:25 seconden goed. Delgado moest genoegen nemen met plek twee in een Tour die de jaren daarop enkel in 1989 nog spannender was. Ook toen was er een tijdrit. Maar toen waren het Fignon en LeMond die elkaar bestreden, met LeMond die aan het langste eind trok.
Maar in 1988 was het wel raak. Delgado was inmiddels overgestapt naar de ploeg van Reynolds en kreeg vanuit zijn oude PDM ploeg serieuze tegenstand van Steven Rooks. In de etappe naar Alpe d’Huez, je zou het de favoriete aankomst van Delgado kunnen noemen, zette de Spanjaard de Tour naar zijn hand. Rooks en Theunisse (allebei PDM) pakten plek één en twee in de etappe, maar Delgado mocht het geel aantrekken en dit keer liet hij zich het truitje niet ontfutselen. Hij won de dag erop de tijdrit en zette zo Rooks al op ruim twee minuten. Elke bergetappe pakte hij meer voorsprong. Zo pakte hij een halve minuut op Luz-Ardiden en ook op Puy-de-Dôme reed hij Rooks uit het wiel. In de voorlaatste rit, een tijdrit, moet klimmer Rooks definitief capituleren. Delgado boekt zo zijn tourzege. Toch hing er een luchtje aan, omdat Delgado van dopinggebruik werd beschuldigd. De nummer twee, Rooks, heeft zelf ooit toegegeven te hebben gebruikt. PDM stond bekend om haar ‘innovatieve trainingsmethoden’. Delgado zal bij PDM vast iets van kennis hebben opgedaan. Enfin, hij is niet betrapt en heeft zijn Tour zege nog steeds.

In 1989 had hij zomaar weer kunnen winnen, ware het niet dat hij twee-en-een-halve minuut te laat aan de start van de proloog verscheen, een verhaal mooi opgetekend door Vincent de Lijser. Delgado boekte in totaal vier ritzeges in de Tour, veertien zeges in grote rondes en won de Vuelta in 1985 en 1989. Vandaag de dag is Delgado tv-commentator bij de Tour en de Vuelta.
Miguel Induráin, Big Mig (1991–1995)
Wie de beginjaren negentig de TV aan zette voor de Tour zag alhaast een vertrouwd beeld. Zeven Banesto renners op een rij, Indurain in het geel erachter. Het was een nieuwigheid, dat een team zich zo op kop zette in een etappe. Banesto en Indurain hadden dit uitgedokterd.
Enfin, even terug naar de jonge Spaanse renner. Miguel Induráin, geboren in 1964 in Navarra, is bepaald geen klimtalent. Hij is groot, relatief zwaar en wie het begin van zijn carriere bekijkt ziet weinig indicatie dat hij de meest succesvolle Spanjaard in de Tour de France zal gaan worden, met vijf opeenvolgende eindzeges, van 1991 tot en met 1995, een reeks die in de wielergeschiedenis slechts geëvenaard wordt door Jacques Anquetil, Eddy Merckx en Bernard Hinault.
In 1987, Indurain is dan 23, wordt hij roemloos 97e in de Tour. Zijn beste prestaties zijn in de tijdritten (drie individueel, één ploegentijdrit) maar in de bergen laat hij weinig tot niets zien.
Ook in 1988 is het niet zijn jaar. Bergop finisht hij steevast buiten de top 30 en in de tijdritten is het ook niet veel. Hij finisht als 47e en pakt de 6e plek in het jongerenklassement. Al met al weinig om over naar huis te schrijven. Zeker als je het vergelijkt met de jeugd van tegenwoordig. Een andere tijd, zullen we maar zeggen.
In 1989 begint dat te veranderen. Hij pakt de eindoverwinning in Parijs-Nice en hij komt in de Tour de top 20 binnen. Zijn eerste tour etappe overwinning is niet eens een tijdrit, hij wint een lastige rit naar Cauterets-Cambasque. Bergop is hij nog steeds niet de sterkste, maar geeft hij ineens nog maar een minuut toe op gedegen klimmers als Rooks en Theunisse.
Vanaf 1990 wordt Indurain de ronderenner geboren. Wederom winst in Parijs-Nice, top 10 in Vuelta en Tour de France. Hij heeft goed getraind.
Tourwinsten
in 1991 komt zijn eerste van vijf overwinningen, op een manier die tot dan toe niet gebruikelijk is’Big Mig’ veranderde de manier waarop de Tour gewonnen werd. Met zijn 1,86 meter en 78 kilo had hij opvallende fysieke troeven: een grote longcapaciteit, een efficiënt hart en een tijdritvermogen waarmee hij de concurrentie op afstand zette. Hij won bijna elke individuele tijdrit in de tours die hij op zijn naam schreef. Enkel in 1994 werd hij geklopt door Ugrumov. De prologen niet meegerekend. Indurain pakte de 8e etappe in 1991, een individuele tijdrit en steeg toen naar plek vier in het klassement. Toch was een bergetappe, etappe 13 richting Val Louron het moment dat hij het geel pakte en niet meer weggaf. De zege die dag ging naar Claudio Chiappucci. Opvallend in 1991 was ook zijn tweede plek in de etappe naar Alpe d’Huez, voor o.a. Steven Rooks, Chiappucci, Claveyrolat en andere gekende klimmers. Hij bezegelde zijn tour met winst in de tweede, lange tijdrit. Hij reed Bugno en Chiappucci op respectievelijk 3:36 en 5:56 in het algemeen klassement.
In 1992 was het van hetzelfde laken een pak. Met een thuisstart en een proloog in San Sebastian was deze Tour gemaakt voor Indurain. De lange tijdrit in Luxemburg zette Indurain als kandidaat winnaar neer. Wederom een bergetappe naar Sestriere, waarin hij bijna twee minuten verloor op dagwinnaar Chiappucci (weer die Italiaan) bracht hem het geel. De dagen erop controleerde hij in de bergen en de voorlaatste dag was weer een lange tijdrit. Uiteindelijk was zijn voorsprong ruim 4 minuten op Chiappucci.
In 1993 won hij de proloog maar moest hij vrij rap het geel aan anderen laten. Maar daar was toch weer de lange tijdrit. Ditmaal rondom het Lac de Madine. Alleen die naam al. Hij reed iedereen aan gort en pakte het geel. De twee daaropvolgende bergetappes deed hij meer dan controleren. Hij werd derde en tweede, geflankeerd door Tony Rominger, Alvaro Mejia en Claudio Chiappucci. In dat jaar zagen we ook de eerste tekenen van klimmer Richard Virenque.
In 1994 moest Indurain de proloog aan tijdritspecialist Chris Boardman laten. 9 dagen later was er wederom een lange tijdrit, van Perigueux naar Bergerac en was het wéér raak voor Big Mig. Gele trui in de tas. De etappe naar Hautacam werd de lange, zware Spanjaard tweede, vóór Pantani en Virenque…. Later in de ronde controleerde hij bergop en mochten Virenque en Ugrumov, de latere nummer twee in Parijs, de kruimels oprapen. Ugrumov klopte Indurain in de (klim)tijdrit naar Avoriaz. De lange aanloop was niet genoeg voor de Spanjaard om zijn tijdritcapaciteit te laten gelden.
In 1995, het laatste jaar van Indurain’s dominantie was er één bijzonderheid. Hoewel hij weer de lange tijdrit won, etappe 8 van Huy naar Seraing, legde hij de dag ervoor de basis. Hij ontsnapte met Johan Bruyneel, die de etappe mocht winnen, en pakte zo bijna een minuut op de concurrentie. In de daarop volgende bergetappe naar La Plagne reed hij belangrijke concurrenten zoals Pantani op minuten. Je kan het je niet voorstellen. Alex Zülle, de Neder-Zwitser, kon hem tegenstand bieden maar eindigde op respectabele afstand tweede. In de voorlaatste etappe, een tijdrit, kondigde de opvolger van Indurain zich al aan. Ene Bjarne Riis werd tweede en dat zou een voorbode zijn voor 1996 en verder.
Indurain kon in 1996 niet meer leveren wat hij de jaren ervoor wel kon. Vanaf de proloog in Den Bosch liep hij achter de feiten aan. Hij kon de lange tijdrit niet naar zijn hand zetten en verloor daarin tijd op Riis en de ook sterk rijdende Jan Ullrich. Indurain was met 32 jaar bezig aan zijn laatste Tour en kon niet meer laten zien waarom hij die vijf jaar daarvoor glansrijk won. Bergop moest hij toegeven op ‘monsieur Soixante’ en in de tijdrit kon hij ook niet bijblijven. Het werd een afscheid met een plek buiten de top 10. Aan het eind van 1996 besloot Indurain zijn Pinarello aan de wilgen te hangen.
In 1999 werd Induráin met meer dan 60 procent van de stemmen verkozen tot Spaans sporter van de eeuw. Opvallend genoeg won hij nooit de Vuelta a España; zijn beste resultaat in eigen land was een tweede plaats in 1991.
Óscar Pereiro, de onverwachte winnaar (2006)
Er zijn overwinningen die eigenlijk alleen maar verliezers kennen. Want een ding is zeker: Pereiro zal zich nooit de echte winnaar van de Tour voelen. Hij droeg dan wel enkele dagen het geel, maar ergens leek hem dat niet toe te behoren. Hij werd nog derde in de voorlaatste etappe, de tijdrit, waarin Honchar en uiteindelijke nummer 1 in Parijs, Floyd Landis, hem de das omdeden.
Het was uberhaupt al een wonder dat hij zich in de Tourdiscussie mocht mengen. Voor het begin van etappe 13 stond de Spanjaard op 29 minuten (!) achter de leider Landis. Die 13e etappe veranderde alles. Pereiro vertrok met Jens Voigt (“back to the commentators!”) voor een klassieke vlucht in een overgangsetappe. De wielergoden in de Ardèche waren hun goed gezind en het peloton gaf de zegen. De wandeletappe resulteerde in een gat van 29’56 bij de finish in Nougat-stad Montélimar. Voigt won, Pereiro werd tweede maar pakte wel het geel.
Dat raakte hij dus kwijt in de tijdrit en dus stond hij als een vrolijke nummer twee op het eindpodium. Dat was al een cadeautje dat hij nooit had verwacht. Hij pakte immers geen enkele etappe die Tour en kwam buiten die vluchtersrit 13 niet in de buurt van een zege. Toch kreeg hij achteraf het geel. Landis bekende dopinggebruik en werd geschrapt als winnaar. Pereiro kreeg dus alsnog de overwinning, maar die zal hij nooit echt gevoeld hebben.
Een jaar eerder had Pereiro al een sterke Tour gereden. In de Tour van 2005 won hij de zestiende etappe en kreeg hij de prijs voor meest strijdlustige renner, na aanvallen in de vijftiende, zestiende en negentiende rit. Na zijn afscheid in 2010 vervulde hij een jeugddroom en tekende als voetballer bij Spaanse tweedeklasser Coruxo FC. De erelijst van Pereiro is eigenlijk een Tourwinnaar onwaardig. Zes zeges totaal, één etappe in de Tour van 2005 en verder dagzeges in Zwitserland en Spanje. Maar linksom of rechtsom: Pereiro is de officiele winnaar van de Tour van 2006. En dat neemt niemand hem meer af.
Carlos Sastre, de man van Alpe d’Huez (2008)
We schrijven nu eerst over Carlos Sastre, hoewel hij chronologisch nog een andere voorganger had dan Pereiro, maar die komt later nog aan bod.
Waar Carlos Pereiro een onverwachte winnaar was, met aan miniem palmares, mogen we bij Carlos Sastre spreken van een echte grote ronde renner. In 2003 reed hij al top-10 in de Tour en was er zijn eerste etappe zege. In de jaren erop was hij steevast een van de namen die genoemd werd op ‘lijstjes’. In 2006, de Tour van Pereiro, pakte hij eigenlijk plek vier, maar met het wegstrepen van Sastre ging hij naar drie. De bergetappe naar Morzine was een belangrijk wapenfeit bij dit podium. Maar in 2008 beleefde de Spanjaard zijn beste Tour ooit. Carlos Sastre won de Tour de France van 2008 met een aanval die velen nog zullen heugen. In rit 17 naar Alpe d’Huez reed hij weg van de favorieten en kwam hij meer dan twee minuten eerder boven. Hij liet Menchov na een demarrage achter zich en de anderen bleven maar naar elkaar kijken. Sastre was dominant en hij moest tijd pakken om de tijdrit te overleven. Dat lukte. Hij pakte het geel en hij gaf het niet meer af tot Parijs. In de tijdrit moest hij vrezen voor de power van Menchov en Evans, maar beiden kwamen niet uit de verf. De halve minuut die Sastre moest inleveren, was geen probleem. Hij hield krap een minuut over op het podium in Parijs
Sastre, in de Spaanse pers ‘Don Limpio‘ (Meneer Proper) genoemd vanwege zijn schone reputatie, was dus een rasechte ronderenner. Hij reed 25 grote rondes uit, eindigde er zestien in de top tien en stond er drie keer op het podium. Zijn Tourzege op Alpe d’Huez was het hoogtepunt van een carrière die draaide om geduld, teamwork en het wachten op dat ene beslissende moment.
Alberto Contador, de laatste Spanjaard in het geel (2007, 2009)
Alberto Contador, ‘El Pistolero‘, is meest recente Spaanse Tourwinnaar. De Spaanse klimmer won in 2007 zijn eerste Tour op 24-jarige leeftijd. Dit was de beruchte Tour de France waarin ene Michael Rasmussen uit de Tour werd gezet door zijn eigen ploeg, nadat hij door Davide Cassani was gezien tijdens een training in Italië. Zijn whereabouts hadden echter Mexico op het plaatje staan. De een z’n dood is de ander z’n brood. Rasmussen verliet de Tour en Contador nam het geel over. Dat gaf hij niet meer af. Hij werd nog wel aan het wankelen gebracht in de laatste bergetappe, met de etappewinst van Levi Leipheimer. De Amerikaan kwam samen met Cadel Evans tot een halve minuut van de winst. Maar goed. Leipheimer is uiteindelijk ook geschrapt uit de uitslag wegens…juist. Zo zie je dat veel overwinningen last hebben van asteriskjes en andere mitsen en maren.
In 2009 volgde de tweede zege in Le Grande Boucle. Tot en met de 14e etappe stond Contador op enkele seconden van het geel. Dat was op dat moment in handen van Rinaldo Nocentini. Etappe 15, richting het Zwitserse Verbier zorgde voor de ommekeer. Hij won die etappe voor Andy Schleck en Vicenzo Nibali. De resterende dagen heerste hij, inclusief een tweede etappe overwinning in etappe 18 in de tijdrit bij Annecy. Je gelooft het niet, maar hij klopte Fabian Cancellara. In een tijdrit. De Tour van 2009 was vooral ook de strijd tussen Armstrong en Contador. De jonge meester onttroonde zijn eigenlijke kopman.

0,00000000005 picogramos de clenbuterol
Een van de momenten die voor altijd aan ‘el pistolero’ blijven hangen is de winst in de Tour van 2010, maar de titel die hem daarna werd afgenomen na sporen van clenbuterol. De persconferentie met Contador en het uitspreken van “0,00000000005 picogramos de clenbuterol” zijn om van te smullen.
Enfin. Het Internationaal Sporttribunaal schorste Contador en schrapte zijn resultaten uit 2010 en 2011. Officieel staan er dus twee Tourzeges op zijn palmares, naast twee Giro’s en drie Vuelta’s. Hij is een van slechts zeven renners die alle drie de grote rondes op hun naam schreven en de enige Spaanse renner die dat deed.
Zijn afscheid in 2017, met een ritzege op de Angliru in de Vuelta, past helemaal bij Contador. Aanvallend, onvoorspelbaar. Hij is met recht de meest succesvolle Spaanse renner over een breder palet, dan enkel de Tour.
Het is en blijft een mooi rijtje renners, die Spanjaarden. De kans dat er nu nog eentje bijkomt, die is vrij klein. Of nul. Of naja, misschien 0,00000000005%. Kleingheidje dus. Het is te hopen dat er snel weer een Spaanse topper opstaat. Maar als we de geschiedenis mogen geloven had die er al moeten staan. Want zo lang zonder eindzege in de Tour? Dat is van voor de tijd van Bahamontes. Ai.