Na maanden zeuren heeft ‘ie me zover. Ik zet het zadel van de racefiets van zijn hulpmoeder – wij zeggen hier geen stiefmoeder – zeker 20 cm lager en breng de bandjes op spanning. Als ik opkijk na het pompen, kijk ik naar mezelf, maar dan de versie van 35 jaar geleden. Een blij en tegelijk onzeker koppie, met daarop een (te) grote Calimero-helm, beetje scheef. Mijn oude Het is Koers-shirt flubbert om hem heen als een 100 liter-vuilniszak; het is maar goed dat de koersbroek bretels heeft. Hij draagt mijn flitsend witte fietsschoenen; ik oude, vieze kapotte hardloopschoenen. Verschil moet er zijn.

Mijn oudste – 12 is ‘ie, bijna 13 – en ik gaan voor het eerst samen een stukkie fietsen. In vol ornaat.

We zijn nog niet de straat uit of hij is al drie keer bijna gevallen. Die stomme klikschoentjes ook. ‘Pap, dit werkt niet.’ Even rustig oefenen, vent. Ik viel de eerste keer ook bij ieder stoplicht. ‘Ja, duhhh. Jij. Sukkel.’ Grijns op boeventronie. Hij demarreert en ontwijkt ternauwernood een busje met bouwvakkers. Getoeter. ‘Pap, als ik ooit echt wielrenner word, wil ik sprinter zijn. Dat is het mooiste.’ Met de handen in de beugel, kijkt ie over zijn schouder naar mij.

Bravoure en pure opwinding bij de 12-jarige.

Bij mij overheerst nog de angst dat de eerste keer ook meteen zijn allerlaatste ritje ooit zal zijn.

Goddank: we hebben het bos bereikt. Levend. Voor ons een fietspad. Breed, kaarsrecht, prachtig asfalt. Hier kan weinig gebeuren. Of? Plots overal breed uitzwaaiende vitale senioren, op e-bikes met zijspiegels en fietstassen. De kersverse wielrenner flitst eromheen, rakelings scheert hij langs een tegemoetkomend stel. ‘Beetje afstand houden, en vriendelijk waarschuwen’, doe ik nog een halfslachtige poging. Tevergeefs. Hij hoort het niet. ‘Kom pap, beetje doorkarren of moet je ook al op zo’n invalidenfiets?’

Schaterlach.

Heuveltje. Hij demarreert. Eerst met de handen op het stuur, dan onderin de beugel. Serious business dit, blijkbaar. Vlak voor me rijdt ‘ie. Ik zie zijn achterwerk heupwiegen, het smalle middeltje zweeft boven het zadel. De pezige benen met de zwabberende broek malen als een dolle. Ik laat hem gaan. Beetje bewust, houd ik mezelf voor. Even in stilte genieten. ‘He, kale dikzak, kun je niet harder?’ Weer die lach, galmend door het stille bos. Een wandelend pensionado-stel moet hardop lachen. ‘Ja, papa, dit is het begin van het einde.’

Ja, denk ik. Dat is het. En het voelt verrassend goed.

Eenmaal thuis wordt het gepoch en gebluf bepaald niet minder. ‘Heb jij gezweet, pap? Ik niet. Ik kan veel sneller. Zo hard fiets ik al op mijn gewone fiets naar school.’ En: ‘Hoeveel kilometer zou ik kunnen fietsen? 100? Wat denk jij, pap?’ Pap zegt niets, lacht een beetje. Genieten dit.

’s Avonds aan tafel komen we er nog even op terug. Zijn hulpmoeder vraagt hoe het voelt, een zoon als wielrenner. Ik denk even na en zeg dan – naar waarheid: ‘Als ik dat mannetje zie demarreren, de heuvel zie opvliegen, voel ik exact dezelfde trots als wanneer ik het zelf doe. Het is alsof ik daar fiets. Dat is wat er met je gebeurt als je vader bent, blijkbaar.’ Twee fonkelende ogen kijken naar me – ineens ook beetje verlegen, lijkt het. ‘Zoiets heb je nog nooit gezegd, pap.’ Bloost ‘ie nou?

Ik zie weer mezelf, 35 jaar geleden. Vader en zoon, of zoon en vader. Het maakt niet uit. Het is geluk. Puur geluk.

Sander Peters
Laatste berichten van Sander Peters (alles zien)