Foto Rob Mieremet / Anefo - http://proxy.handle.net/10648/abeda89c-d0b4-102d-bcf8-003048976d84, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=65817127
Eergevoel vs. geldzorgen: Jarige Tino Tabaks emotionele rit naar de nationale titel
Tino Tabak zit in de piepzak. Met elke volgende pedaalomwenteling trapt de renner uit de Goudsmit-Hoff-ploeg van Kees Pellenaars zich dieper in de problemen. Even heeft hij getwijfeld. Kan hij niet beter zijn benen stilhouden en zich laten inlopen? Dan zijn alle problemen onmiddellijk voorbij. Maar er is ook nog zoiets als eergevoel. Tabak is profrenner geworden om te winnen. Niet om een kans, die voor het oprapen ligt, weg te laten glippen. Hij trapt door. Op weg naar de nationale titel. De bijbehorende schade neemt hij voor lief. Eerst die roodwitblauwe trui maar eens om de schouders zien te krijgen. Daarna ziet hij wel verder. Dat hij in de finale van het NK van 1972 in Valkenburg – de aankomstlijn is bijna vanzelfsprekend bovenop de Cauberg getrokken – solo voorop ligt had Tabak de nacht voordien in zijn stoutste dromen niet durven vermoeden. De in Nieuw-Zeeland opgegroeide Nederlander heeft een beroerde eerste seizoenshelft achter de rug. In de Vuelta, die in die jaren standaard als eerste van de drie grote ronden wordt verreden en al in april plaats had, was hij hard tegen het Spaanse asfalt gekwakt. Een zware hersenschudding en een gebroken jukbeen hadden een dikke rode streep door zijn verdere voorjaarsambities gezet. Pas in de Ronde van Zwitserland, half juni, keert eindelijk het goede gevoel terug, alsof de gehavende renner twee maanden niet zichzelf was geweest. Desondanks acht Tabak zich aan de vooravond van het nationaal kampioenschap geenszins kansrijk. Zijn hand durft hij dan ook niet op te steken als Pellenaars tijdens een teambespreking vraagt wie van zijn pupillen zijn zinnen heeft gezet op de roodwitblauwe driekleur. Er is echter nog een andere, belangrijkere factor die Tabak ervan weerhoudt zich binnen zijn ploeg te melden als potentieel kampioen. Pellenaars geeft te kennen dat, als de uiteindelijke winnaar het tenue van Goudsmit-Hoff draagt, diegene tienduizend gulden in de ploegkas dient te storten, om te verdelen onder de helpers. Een onmogelijke opgave voor Tabak. Een dergelijk bedrag heeft hij simpelweg niet.
Vandaar dat hij steeds meer in dubio raakt, naarmate de laatste beklimming van de Cauberg dichterbij komt. In eerste instantie was Tabak verguld geweest met ploeggenoot Rini Wagtmans. De Brabander is weliswaar ook herstellende van een blessure en nog niet op zijn best, maar die had wel vol bravoure te kennen gegeven kampioen te willen worden. Tabak trekt dan ook vol door als de twee Goudsmit-Hoff-renners op drie ronden van het einde, in gezelschap van Beaulieu-Flandria-renner Matthijs de Koning, voorop rijden. Als Wagtmans de titel wint, deelt zijn ploeggenoot vanzelfsprekend mee in de riante prijzenpot. Tabak zet nog maar eens aan en ziet, wanneer hij na een ferme kopbeurt eindelijk over zijn schouder kijkt, tot zijn stomme verbazing dat zijn beide metgezellen een gat hebben moeten laten. Ineens is hij alleen. Op weg naar de nationale titel. En naar een schuld van tienduizend gulden. Instinctief besluit Tabak toch door te rijden. Ploegleider Pellenaars had hem diezelfde ochtend nog voorgehouden een favoriet in zijn pupil te zien. Tabak was niet eens trots geweest op het in hem gestelde vertrouwen. Hij had vooral gevreesd een fors geldbedrag in de ploegkas te moeten storten en dus sloeg hij de voorspelling van Pellenaars zo achteloos mogelijk in de wind. Nu hij enkele uren later daadwerkelijk op weg lijkt naar de nationale titel, durft hij zich ook niet terug te laten zakken. De twijfel neemt weliswaar met iedere pedaalomwenteling toe. Als Tabak hoort dat Joop Zoetemelk vanuit de achterhoede aan een inhaalslag is begonnen, besluit hij zelf ook harder te gaan rijden. De eerzucht is sterker dan het uitzicht op mogelijke geldzorgen. De renner van Goudsmit-Hoff loopt al snel weer uit op zijn meest naaste belager.
Amper een kwartier later staat Tabak op het podium, bovenop de Cauberg, naar het Wilhelmus te luisteren met een fris ruikende roodwitblauwe koerstrui om de schouders. Het winnen van een nationale titel is niet helemaal nieuw voor hem. Zeven jaar eerder was hij in Nieuw-Zeeland, waar hij op jonge leeftijd samen met zijn ouders naar toe was geëmigreerd, al beloftenkampioen geworden. Met dank aan zijn dubbele paspoort. Toen Tabak vervolgens een profcarrière begon te ambiëren was hij alsnog naar Nederland teruggekeerd. Terwijl de kersverse kampioen naar het volkslied luistert, maalt zijn hersenpan als een centrifuge op volle toeren rond. Tabak zal tienduizend gulden moeten lappen voor in de ploegkas. Maar hoe?! Als hij het podium afloopt, wordt hij onmiddellijk opgevangen door Pellenaars. De zelfverzekerde ploegleider komt zijn pupil niet alleen feliciteren met de titel, maar vooral ook de bevestiging halen van zijn eigen profetische gaven. Hij had het immers voor de start al gezegd. Tabak wordt Nederlands kampioen. Dat zijn renner dat een fors geldbedrag kost heeft ‘den Pel’, zoals Pellenaars in het peloton wordt genoemd, ingecalculeerd. Hij zal wel regelen dat het bedrag in orde komt. Vanzelfsprekend houdt Pellenaars woord. De ploegleider verhoogt het salaris van zijn pupil, bezorgt hem startgelden in criteriums en harkt zelf de rest bij elkaar. Voor het eerst die middag kan Tino Tabak echt genieten van zijn nationale titel.
Foto Rob Mieremet / Anefo - http://proxy.handle.net/10648/abeda89c-d0b4-102d-bcf8-003048976d84, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=65817127