Foto Bert Verhoeff - Het Nationaal Archief, Anefo.
Column: Dauphiné – de top van de voorlaatste klim
Al sinds jaar en dag is de Dauphiné de opwarmer voor de Tour. Meer dan eens bleek de sterkste in de Dauphiné ook de beste in de Tour. Grote namen zoals Bobet, Anquetil, Merckx, Hinault, Indurain, Froome en Pogačar wonnen beide koersen in hetzelfde jaar. En hoewel het meeste publiek vooral naar de Tour uitkijkt, zijn er ook uitgesproken fans van de Dauphiné. Fans die speciaal naar Frankrijk afreizen om deze wedstrijd in het echt mee te maken.
Daan Suivre was zo’n fan. Hij kwam uit een lange lijn van fans en koersvolgers. Zijn opa Louis Suivre stond al langs de weg toen Bobet nog als een klimgeit de bergen te lijf ging. Alle Suivres hadden een uitgesproken favoriet, iemand voor wie ze speciaal op een berg gingen staan. Niet met een spandoek en een toeter, ook niet in een apepakkie of als de duivel en al helemaal uit den zotte vonden de Suivres de malloten zonder kledij. Zoals er geregeld een van de nudistencamping ontsnapte idioot op het wielertoneel verscheen, omdat het Adam in zijn onnavolgbare gedachtegang een goed idee had geleken om naast een wielrenner een stukje alp omhoog te rennen. Aan dat soort idioterie konden de Suivres zich alleen maar kapot ergeren. De favoriet van zijn Franse opa was dus Bobet geweest, die van zijn Nederlandse vader Zoetemelk en Daan had een zwak voor Van de Heuvel.
Piter van de Heuvel was een fenomenale klimmer. Daarnaast was Piter een goede tijdrijder, niet de absolute top, maar hij wist de tijdsverschillen met zijn directe concurrenten binnen de perken te houden of zelfs in zijn voordeel te beslechten. Piters achilleshiel was, ondanks dat hij uit het platte Friesland kwam, het waaierrijden. In tegenstelling tot zijn landgenoten die deze discipline over het algemeen uitstekend beheersten, belandde Piter altijd in de verkeerde waaier. Het was Piter al meer dan eens gebeurd dat hij hierdoor op een winderige dag onnodig tijd verloor. In alle grote rondes was er altijd wel een etappe geweest waar hij zijn kansen op een goede eindklassering daardoor als sneeuw voor de zon zag verdwijnen. De Dauphiné was daarom een van zijn lievelingskoersen. Nauwelijks vlakke kilometers, vaak geen noemenswaardige wind, altijd een tijdrit, soms in je eentje, soms met de ploeg en altijd veel hoogtemeters. Kortom: deze koers was Piter op het lijf geschreven. Het enige jammere was dat hij de Dauphiné nog nooit had gewonnen. Hij had al vijf keer podium gereden, maar toch ging er iedere keer iets net niet goed genoeg om het hoogste treetje te beklimmen.
Dit jaar leek daar verandering in te komen. Piter stond aan de start van de laatste etappe van zijn negende Dauphiné op de eerste plek. Alles was goed gegaan. In de tijdrit had hij slechts enkele seconden op zijn directe concurrenten hoeven toegeven. Tijdens de vlakkere ritten door de week was het peloton compact gebleven, de sprintersploegen hadden alles netjes bij elkaar gehouden en in de twee voorgaande bergritten had hij de basis gelegd voor de eindoverwinning. In de eerste had hij een gat van meer dan een minuut met zijn concurrenten geslagen en in de tweede had hij deze voorsprong kunnen consolideren. Hij ging dan ook met een redelijk geruststellende voorsprong de laatste rit in.
Op de top van de voorlaatste klim stond steevast Daan. Piter was er inmiddels aan gewend dat Daan daar stond, Daan was alle negen voorgaande edities tijdens de Dauphiné present geweest. In warme etappes stond Daan met een koude fles Cristaline die Piter ter verkoeling over zich heen kon gieten. Als het een koude etappe was, dan had Daan L’Équipe in zijn uitgestoken hand, die Piter onder zijn shirt kon stoppen om warm te blijven tijdens de afdaling.
Ook deze Dauphiné had Daan weer op iedere voorlaatste beklimming gestaan. De temperatuur schommelde de hele week rond de 30 graden en de fles Cristaline was een aangename verkoeling geweest. Deze laatste etappe bereikte Piter in het groepje der favorieten de top van de voorlaatste klim. Er leek geen vuiltje aan de lucht om zijn eindoverwinning te verzilveren. Piter keek naar rechts en reikte al bijna zijn hand uit naar de verkoelende fles Cristaline, maar Daan was er niet. Zou er iets gebeurd zijn? flitste door Piter heen. Soms spraken ze elkaar even voor de koers, meestal kort en zakelijk, Daan was niet zo’n prater en Piter was dan vaak al met zijn hoofd bij de koers. Maar juist door hun steevaste ontmoeting op de top was er een soort vriendschap zonder woorden ontstaan. Er was een verbond, een belofte dat Daan er zou zijn, het was de garantie dat Piter een goede laatste klim zou rijden.
Door het uitwijken richting de spoorloze Daan en zijn fles rolde Piter met een gekke slinger de afdaling in, inmiddels in laatste positie. Hij merkte dat hij tijdens de afdaling moeite had om zich te concentreren, zijn gedachten gingen voortdurend naar de lege top van de voorlaatste klim. Met een flinke inspanning kon hij onderaan de slotklim nog net in het laatste wiel van het groepje der favorieten aanhaken, maar hij merkte dat er niet veel meer op zat. Zestien kilometer tegen bijna acht procent bleek dan ook teveel, na vijf kilometer plaatste een van zijn concurrenten een versnelling, twee konden volgen, Piter en een ander niet. Ze zagen het drietal voor hen langzaam wegrijden, een wiellengte, een fietslengte, enkele meters en daarna waren ze verdwenen voorbij de volgende bocht. Toen ze het drietal op de top weer terugzagen was de achterstand opgelopen tot twee minuten en restte Piter de meest ondankbare vierde plaats in de einduitslag.
Enkele minuten na zijn binnenkomst stond Piter onder een boom op het dorpsplein nog te herstellen van zijn teleurstelling toen Daan kwam aangelopen.
‘Waar was je nou?’ vroeg Piter verslagen. ‘Ik heb me vreselijk ongerust gemaakt, de laatste klim kwam ik niet meer vooruit.
‘Ik… ik.. ik was hier,’ hakkelde Daan onhandig verontschuldigend. ‘Ik was er van overtuigd dat je zou winnen. Dus voor deze keer wilde ik bij de finish staan, om je te feliciteren.’
Foto Bert Verhoeff - Het Nationaal Archief, Anefo.