Foto Sirotti
De gloriedag in Pamplona van Laurent Dufaux
Jean-Marie Leblanc lacht als een boer met kiespijn. De Tourdirecteur had zich de podiumceremonie na afloop van de zeventiende etappe van de ronde van 1996 heel anders voorgesteld. Vooraf leek het zo’n mooi plan. De aankomstlijn van de laatste bergrit van de 83ste Tour was heel bewust in Pamplona getrokken. Na een uitputtingsslag, waarbij onderweg onder meer de Col du Soulor, Col d’Aubisque en de Col de Marie Blanque bedwongen moesten worden, zou Leblanc hier de gele truidrager uitgebreid en voor diens thuispubliek in het Spaanse zonnetje zetten en hem alvast feliciteren met het behalen van alweer een eindzege in de Tour. De zesde al. Op rij, nota bene.
Beoogde winnaar
De ronde zou weliswaar nog vier etappes langer zijn, maar die dagen werden in beslag genomen door drie vlakke ritten en een race tegen de klok. Laat die laatste discipline nou net de specialiteit zijn van de beoogde Tourwinnaar. De praktijk verloopt echter geheel anders dan de door Leblanc en zijn team maanden eerder uitgedachte theorie. Miguel Induráin slaagt er niet in als eerste ooit zesmaal de Franse ronde op zijn naam te schrijven. De Spanjaard is anderhalve week voordat Pamplona bereikt wordt in de Alpen al door het ijs gezakt. Tegen de krachten waarmee Bjarne Riis smijt blijkt hij niet opgewassen. De Deen gaat tekeer alsof hij, net als stripfiguur Obelix, ooit in een ketel toverdrank is gevallen. Inmiddels weten we dat Riis destijds inderdaad een drieletterig ‘wondermiddel’ door zijn aderen had stromen. Lange tijd heeft Induráin in 1996 nog wel zicht op het podium in Parijs, maar uitgerekend op weg naar zijn thuisstad krijgt hij de genadeklap. De Spanjaard verliest, net als Tony Rominger en Abraham Olano, meer dan acht minuten op de sterkste klassementsrenners van de ronde. Vandaar dat Leblanc er op het podium bij staat alsof hij zijn laatste oortje heeft versnoept. Dat er met Laurent Dufaux een ander de ritwinst heeft weggekaapt, had de Tourdirecteur ingecalculeerd. De kans dat Induráin als eerste in Pamplona zou aankomen, leek Leblanc op voorhand uiterst klein. De vijfvoudig eindwinnaar had immers na 1990 uitsluitend dagzeges geboekt in tijdritten. Waar Leblanc niet op had gerekend was dat de voor Induráin bedoelde loftuitingen regelrecht de prullenbak in kunnen. In plaats van de boomlange Spanjaard mag een vroeg kalende Deen het geel aantrekken.
Lijdensweg
De beoogde zegetocht van Induráin richting Pamplona was al vroeg in de etappe in een lijdensweg veranderd. Op de Col de Soudet had de Spanjaard de eerste groep moeten laten gaan. Als veertig kilometer verderop, op de Port de Larrau, de acht sterksten van de Tour van 1996 elkaar vinden, loopt de achterstand van de uittredend winnaar in rap tempo op. Riis, Dufaux, Jan Ullrich, Richard Virenque, Luc Leblanc, Pjotr Oegroemov, Fernando Escartín en Peter Luttenberger smeren Indurain op weg naar zijn woonplaats uiteindelijk acht minuten en 35 seconden aan. De Spanjaard lag denkbeeldig al op de grond, maar krijgt nog eens een paar ferme trappen in zijn zij. Op de flanken van de Port de Larrau, de laatste scherprechter van de dag, laat Riis nog maar eens zien dat er geen discussie nodig is over zijn gele trui. Die zal er pas elf jaar later komen, als de Deen zijn EPO-gebruik publiekelijk toegeeft. De Tourdirectie acht het dan echter niet nodig hem zijn eindzege te ontnemen. In Pamplona toont Riis zich veruit de sterkste. Alleen Dufaux kan hem bijbenen. Na afloop van de etappe zal Ullrich bekennen wel degelijk de macht te hebben gehad ook mee te springen. De jonge knecht van Riis, die zelf in Parijs tweede zal worden, vindt het echter verstandiger bij de vijf anderen te blijven en daar de achtervolging op zijn kopman lam te leggen. De Deen moet Dufaux kunnen kloppen in een sprintje, is zijn verwachting. Niet dus. Al dringt de gele truidrager in de slotmeters ook niet echt aan. Zodra Riis op de brede Spaanse aankomstlaan merkt de Zwitser niet uit het wiel te kunnen spurten, krijgt die de rit min of meer van hem cadeau.

De dag na Hautacam
Was het omdat Riis zijn overmacht wel voldoende vond? Een dag eerder had hij op Hautacam flink huisgehouden, zijn concurrenten op achterstand gereden en de rit gewonnen. Net als acht dagen voordien, toen hij in Sestriere met de bloemen had staan zwaaien. Of zou de Deen het te gênant hebben gevonden om alle plichtplegingen ter ere van Induráin niet alleen met een nieuwe gele trui te doorkruisen, maar ook met een ritzege? De ‘neutralere’ Dufaux – de renner van Festina komt niet voor niets uit het als immer onpartijdig te boek staande Zwitserland – mag de rit winnen. Gênant wordt het desondanks wel op het podium. Nadat Dufaux een ferme bos bloemen, een blikje cola en de zoenen van de rondemissen in ontvangst heeft genomen, mag Riis een verse gele trui afhalen. Dit was, in de oorspronkelijke planning van Leblanc, het moment dat Induráin vanachter de coulissen tevoorschijn zou komen om zich de toejuichingen van zijn plaatsgenoten te laten welgevallen. Het maakt dat de Tourdirecteur lacht als een boer met kiespijn. Ook Riis staat er zichtbaar ongemakkelijk bij en wordt bovendien door een deel van de Spaanse fans getrakteerd op boe-geroep en een fluitconcert. Leblanc kan niet anders dan Induráin toch maar op het podium halen en zijn Deense troonopvolger hem een geelgekleurde bos bloemen laten overhandigen. Zou er op dat moment een luik in de vloer van het erepodium hebben gezeten, dan zou het hele gezelschap er het liefst zo snel mogelijk in verdwenen zijn. Met een verontschuldigende blik – Induráin kan de schaamte over zijn teleurstellende optreden niet verbergen – ondergaat de uittredend Tourwinnaar iets dat op een huldiging moet lijken, maar het niet is. De enige die op woensdag 17 juli 1996 in Pamplona wel zichtbaar gelukkig op het podium stond, was Laurent Dufaux. De Zwitser schuift in de Spaanse stad op naar de vierde plek in het algemeen klassement en heeft die dag belangrijkste overwinning uit zijn loopbaan geboekt.
