Foto Sirotti

Wielercultuur

De imposante Giro 1993 van Fabio Baldato

Van chauvinisme kunnen de parcoursbouwers van de Giro van 1993 niet worden beticht. Koersdirecteur Vincenzo Torriani kreeg in voorliggende jaren regelmatig de kritiek bepaalde etappes nog wel eens toe te spitsen op de kwaliteiten van renners als Giuseppe Saronni en Francesco Moser. Er zaten relatief veel en bovendien lange tijdritten in de ronde en weinig zware bergetappes. Waren die er wel, zoals in 1984, dan werd de koninginnenrit soms wel heel snel afgeblazen, als blijkt dat er sneeuw ligt. De beslissing was destijds koren op de molen van klassementsleider Moser, die vooraf vreesde in het hooggebergte tijd te zullen verliezen op zijn voornaamste uitdager Laurent Fignon.

Geen sprintersgiro

Negen jaar later heeft Carmine Castellano het stokje van Torriani overgenomen en direct het roer omgegooid. De nieuwe wedstrijdleider had de Italiaanse fans een groot plezier kunnen doen door veel vlakke ritten in de ronde op te nemen. Etappes zonder noemenswaardig reliëf, die als vanzelf zouden uitmonden in een massasprint. Het was een kolfje naar de hand van Mario Cipollini geweest. De snelste spurter van de jaren ’90 zou een zegereeks hebben kunnen opbouwen, als waren de etappes kralen die een kleuter aan een ketting rijgt. Castellano doet echter precies het tegenovergestelde. Zelfs de in het routeboek als ‘vlak’ aangeduide ritten blijken in de praktijk verraderlijk lastig. Ze doen in niets denken aan de biljartlakens, waarop Cipollini het liefste excelleert. De denkbeeldige rode loper, die soms al voor de start voor de Italiaanse spurtbom lijkt te zijn uitgerold, is in de Giro van 1993 een hobbelig klinkerpad. Het is de reden dat ‘Mooie Mario’ besluit de ronde maar eens een jaartje over te slaan. De Italiaan heeft in het voorjaar al drie keer toegeslagen in Parijs-Nice en in Vlaanderen elke klassieker die in een massale aankomst eindigde, te weten de E3 Prijs in Harelbeke, Gent-Wevelgem en de Scheldeprijs in Schoten, aan zijn palmares toegevoegd. Liever dan in de Giro op voor hem onoverkomelijk steile wegen te stuiten, bereidt hij zich in alle rust voor op de Tour. De afzegging opent de deur voor een jonge ploeggenoot, die zichzelf helemaal niet als sprinter ziet, maar een waardig vervanger voor Cipollini blijkt. Fabio Baldato wint liefst drie etappes.

Weinig sprinters

Dat er op voorhand weinig te sprinten lijkt in de 76ste Giro is onmiddellijk aan de startlijst af te lezen. Niet alleen Cipollini laat verstek gaan. Ook andere Italiaanse kanonnen als Giovanni Fidanza, Massimo Strazzer, Silvio Martinello en de voor Lampre uitkomende Djamolidine Abdoezjaparov schitteren door afwezigheid. De voornaamste concurrenten van Baldato zijn Adriano Baffi, Endrio Leoni en Ján Svorada. Naar Noord-Europeanen is het in het deelnemersveld al helemaal zoeken als naar een speld in een hooiberg. Onder de 180 renners die in Porto Azzuro aan de Italiaanse ronde beginnen, bevinden zich welgeteld drie Nederlanders (Steven Rooks, Jos van Aert en Adrie van der Poel) en precies een Belg (Michel Dernies). Al op de vierde dag bewijst Baldato sneller te kunnen sprinten dan hij zelf misschien dacht. De derdejaars prof maakt bij GB-MG Maglificio over het algemeen deel uit van de sprinttrein voor zijn kopman, dus veel kansen om zelf een poging te wagen krijgt hij niet. In de Vuelta – een ronde die Cipollini vanwege de immer heuvelachtige Spaanse wegen maar zelden rijdt – was hij een jaar eerder nipt afgetroefd door Abdoezjaparov, maar veel vaker was Baldato niet in de buurt van een aansprekende overwinning gekomen. In Marcianise, waar de vierde Giro-etappe van 1993 finisht, slaagt hij wel. Dankbaar gebruik makend van de lead-out die regerend wereldkampioen Gianni Bugno doet voor zijn Gatorade-ploegmaat Mario Manzoni, drukt Baldato in de slotmeters precies op tijd zijn voorwiel voorbij dat van zijn landgenoot.

Dertien dagen later is het opnieuw raak. Wederom pas na bestudering van de finishfoto. Op de verraderlijk oplopende weg in Borgo Val di Taro toont Baldato nog maar eens zijn kwaliteiten als een aankomst net niet helemaal vlak is. Maurizio Fondriest lanceert zijn eindschot al vroeg en lijkt het lang te gaan halen, maar wordt centimeters voor de verlossende meet nog precies voorbij gestoken door een renner met een zwarte paardenstaart onder zijn helm. Op de slotdag in Milaan boekt Baldato zijn derde spurtzege. Terwijl de ‘tifosi’ in hem een nieuwe evenknie van Cipollini menen te herkennen, haast de drievoudig ritwinnaar zich om te benadrukken dat hij zichzelf eigenlijk helemaal niet als sprinter ziet. Veel liever rijdt Baldato eendagskoersen over Vlaamse, met steentjes geplaveide, klimmetjes of doktert over Noord-Franse kasseien. Het is een staaltje zelfkennis dat in de jaren die volgen niets te veel gezegd zal blijken. In beide monumentale klassiekers zal Baldato tweede worden. Net als in Milaan-Sanremo, waar in een spurt met een omvangrijke voorste groep Erik Zabel nipt sneller blijkt. Telkens schiet Baldato net te kort, waardoor een echt grote overwinning ontbreekt op zijn palmares. De grootste is waarschijnlijk toch die sprint op de Champs-Élysées in Parijs. In de slotetappe van de Tour van 1996 geeft Baldato, na een jaar eerder juist de eerste etappe te hebben gewonnen, erkende spurters als Frédéric Moncassin, Jeroen Blijlevens, Abdoezjaparov en Zabel het nakijken. De Italiaan mag zich een jaar lang de officieuze sprintwereldkampioen noemen. Al zal Fabio Baldato zelf volhouden dat hij juist de beste was doordat hij, in tegenstelling tot de echte pure sprinters, na drie weken Tour net wat meer reserves over had.

Foto Sirotti
Foto Sirotti

Bekijk ook van Vincent de Lijser

De imposante Giro 1993 van Fabio Baldato

Wielercultuur

Het onverwachte Giro podium van Unai Osa in 2001

Wielercultuur