Foto Sirotti
Had de jarige Yates maar een hotseat gehad in ’88
Hotseat. Het woord zelf klinkt schitterend. Veel mooier dan de vaak mistroostige plaats waar de voorlopig snelste in een tijdrit moet afwachten op het verdere verloop van de race. Een plastic stoeltje voor een bord met sponsornamen. Een beeldscherm waarop de renner in ‘pole position’ de race tegen de klok kan volgen. Soms staat er een partytent of andere overkapping overheen. En altijd: een zichtbaar verveelde, gekunsteld in de camera lachende of plichtmatig zwaaiende renner wanneer de televisieregie weer eens overschakelt. De hotseat is een hel, waarin de mogelijke winnaar van de tijdrit moet wachten.
Alsnog aftaaien
Het is de meest ondankbare stoel voor een rappe renner in de eerste startgolf. Hij of zij moet soms alsnog met lege handen naar huis. Alls in de slotfase toch nog iemand een snellere tijd noteert, dan zijn die oncomfortabele en ongemakkelijke uren voor niks geweest. De hotseat wordt dan meer een strafbank in plaats van de denkbeeldige troon, als opstap naar het erepodium. Vroeger was er geen hotseat. Het zorgde er nog wel eens voor dat het huldigen van de ritwinnaar op zich liet wachten, om de simpele reden dat de renner met de snelste tijd al lang en breed op een hotelbed lag. In de sterke veronderstelling niet in aanmerking te komen voor dagsucces – tientallen collega’s moesten immers nog finishen en er zouden er ongetwijfeld een paar sneller zijn – leek wachten in de tochtige coulissen in plaats van op een aangenamere hotelkamer, onzinnig. Het verklaart waarom de podiumceremonie na de zesde Touretappe van 1988 een flinke vertraging oploopt. Sean Yates ligt namelijk al een paar uur languit op bed. De Brit, in dienst van de Franse Fagor-ploeg, staat voor de 52 kilometer lange tijdrit tussen Liévin en Wasquehal slechts 129ste in het algemeen klassement. Ondanks dat hij de voorlopig beste tijd noteert rekent hij er totaal niet op dat niemand na hem sneller is.
Doelloos in de Tour
Net als zijn acht ploeggenoten was Yates een week voor de tijdrit enigszins doelloos aan de 75ste editie van de Franse ronde begonnen. Ruim een half jaar eerder had zijn werkgever Fagor de meest recente Tourwinnaar en bovendien regerend wereldkampioen Stephen Roche als kopman binnen gehaald. De Ier kampt echter met een hardnekkige knieblessure en zal het hele seizoen nauwelijks in actie komen. Dat gegeven verandert Yates en zijn acht ploeggenoten, onder wie klimmer Robert Millar en Roche’s trouwe luitenant Eddy Schepers, van helpers in vrijbuiters. De Fagor-renners moeten etappes proberen te winnen. Niet dat de tijdrit op voorhand aan Yates is besteed. De Brit staat er weliswaar om bekend lang een verschroeiend hoog tempo te kunnen rijden en ook een monstersolo is hem niet vreemd, op die manier wint hij eerder in 1988 ritten in zowel Parijs-Nice als de Vuelta, in een race tegen de klok kan hij nauwelijks noemenswaardige resultaten overleggen. Door zijn relatief vroege plaats in het startveld heeft Yates echter een groot voordeel ten opzichte van erkende specialisten als Roberto Visentini, Tony Rominger, Erik Breukink, Jean-François Bernard, Charly Mottet en Jelle Nijdam. Zou er toepasselijke muziek moeten worden gekozen als soundtrack onder de zege van Yates in Wasquehal, dan komt My Friend The Wind van de Griekse zanger Demis Roussos, een nummer 1-hit in de Top 40 in 1973, zeker in aanmerking.
Al in het hotel
In de zes en een half uur die verstrijkt tussen het vertrek van de nummer laatst in het algemeen klassement, Gerrie Knetemann, en gele truidrager Henk Lubberding, verandert de aanvankelijk stevig blazende rugwind in een briesje dat van alle kanten lijkt te komen. Knetemann zelf heeft er geen profijt van – de Nederlander heeft een dag eerder bij een val een scheur in zijn linker sleutelbeen opgelopen en heeft zo veel pijn dat hij na vijftien kilometer zijn tijdrit staakt – maar de renners na hem wel. Het verklaart de prestatie van Yates, die de 52 kilometer met een moyenne van 49,23 per uur afraffelt. Ook anderen, die in hetzelfde tijdvak als de Brit van start gaan, vinden hun naam aan het einde van de middag op een opmerkelijk hoge plaats in de uitslag. Gerrit Solleveld en Milan Jurčo bijvoorbeeld, die respectievelijk vijfde en zevende worden. Naarmate de windkracht afneemt en de richting steeds meer verandert, wordt het lastiger de tijd van Yates nog van de klok te krijgen. De renner zelf houdt er echter geenszins rekening mee zich beschikbaar te moeten houden voor een huldiging. Gedoucht en gemasseerd ligt hij rustig op zijn hotelbed naar de televisie te kijken.
Huldiging
Tot zijn verbazing slagen de later gestarte hardrijders Visentini en Rominger er niet in hem af te troeven. De hoog in het klassement geplaatste specialisten, zoals Breukink en Nijdam, moeten dan nog komen. Zij hebben bovendien een goede kans het geel over te nemen. De Nederlanders bijten zich echter stuk. Niet als het gaat om de leiderstrui, die is voor Nijdam, maar wel wat betreft de tijd van Yates. Pas als de Franse televisieregie de doorkomsttijden bij het eerste meetpunt in beeld brengt, gaat er bij de renner van Fagor een belletje rinkelen dat hij wel eens voor een daverende verrassing zou kunnen zorgen. Precies op dat moment bonst een verzorger op zijn hotelkamerdeur. Opschieten! Terug naar de finish! Wie weet moet er zo meteen gehuldigd worden. Als de ritwinnaar bij de aankomst arriveert is gele truidrager Lubberding al geruime tijd binnen. Snel baant Sean Yates zich een weg naar het podium, waar de rondemissen bijna wortel schieten. Ondanks dat ‘hotseat’ een mooi woord is voor een oncomfortabel zittend stoeltje, zou die in 1988 in Wasquehal goed van pas zijn gekomen.
