Het is stil in de groep. Niet zo gek ook, op dag zeven van The Ride. Het is bovendien geen gemakkelijke rit naar de Ardennen. 177 kilometer, met nog behoorlijk wat klimmetjes.

Iedereen is moe, de lijven doen pijn en de geest is niet meer zo scherp. Twee keer komt er iemand uit mijn groep op een knullige manier ten val. Gelukkig in het gras, zonder schade. Maar het is oppassen geblazen.

Ik blijf op mijn fiets zitten, maar begin mijn lijf te voelen. Mijn rechterknie zeurt, mijn nek doet pijn en mijn billen hebben ook lang genoeg op een zadel gezeten.

Lopend vuurtje door het peloton

Voor dat laatste euvel heeft de Eerste Hulp ‘magische zalf’. Dat gaat als een lopend vuurtje door het peloton, vertelt een vrijwilliger op de tweede verzorgingspost. Ik hoef nog net niet in de rij te staan.

Vandaag fiets ik van verzorgingspost naar verzorgingspost. Steeds stukken van 60 kilometer. Zo lijkt het behapbaar en hou ik het wel vol.

Bij iedere post stop ik me vol met brood, pannenkoeken, chips, appels, bananen en winegums. Het is echt niet normaal hoeveel ik hier eet. Ik had me nog voorgenomen om alles precies op te sommen in dit dagboek, maar er is geen beginnen aan.

Iedere ochtend ontbijt ik met brood én een dikke bak yoghurt. Twee keer neem ik het bovenstaande assortiment van de verzorgingsposten. En ‘s avonds schep ik soms twee tot drie keer op bij het avondeten. Tijdens een rit drink ik zes bidons leeg.

Dat moet ook wel, want ik verbrand zesduizend calorieën per dag.

Nog één keer op de pijnbank

Na de magische zalf voel ik me weer sterk. Op de laatste klim van de dag besluit ik mezelf nog één keer op de pijnbank te leggen. Ik sprint weg bij de rest, maar wordt natuurlijk bijgehaald door twee gasten.

Dan zie ik een plaatsnaambordje en daag ik de sterkste uit de groep uit voor een sprintje. Dat sloeg natuurlijk nergens op, hij verslaat me met twee fietslengtes. Maar deze hele week sloeg natuurlijk nergens op.

 

Lees ook de andere afleveringen in deze serie